BWBR0011679
Geldig vanaf 2000-12-01
Artikel 3
Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000
1. In geval van opneming van een buitenlands kind in een gezin van aspirant-adoptiefouders, waarin eigen kinderen, Nederlandse pleegkinderen dan wel uit het buitenland geadopteerd kinderen verblijven, kan, indien dat buitenlandse kind in verband met de leeftijdsopbouw van het gezin jonger zal zijn dan de reeds in het gezin verblijvende kinderen, een overschrijding van het leeftijdsverschil van ten hoogste veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind worden toegestaan met ten hoogste twee jaren, met dien verstande dat het verschil in leeftijd tussen dat kind en het jongste kind in het gezin in beginsel niet meer dan twee jaren mag bedragen.
2. Het leeftijdsverschil van ten hoogste veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptief-ouders en het buitenlandse kind mag met meer dan twee jaren worden overschreden bij opneming van een buitenlands kind, in ieder geval indien:
a. er sprake is van een buitenlands kind in de leeftijd vanaf twee jaar, dat kan worden opgenomen door aspirant-adoptiefouders van wie een of beiden ouder zijn dan tweeënveertig jaar;
b. het betreft een jongere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;
c. het betreft de gezamenlijke opneming van twee of meer buitenlandse kinderen uit een familie tussen wie onderling een groot leeftijdsverschil bestaat en de overschrijding een of meer kinderen betreft;
d. er sprake is van een moeilijk plaatsbaar buitenlands kind vanwege een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde lichamelijke handicap, een manifeste gedragsstoornis, een meer dan normale achterstand in lichamelijke en/of geestelijke ontwikkeling, of een direkte noodzaak tot medische behandeling, die niet of bezwaarlijk in het land van herkomst kan plaats vinden.
3. In alle gevallen dient uit specifiek daarop gericht onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te blijken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt zijn tot de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind als bedoeld in het tweede lid, a. tot en met d. en dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht.
2. Het leeftijdsverschil van ten hoogste veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptief-ouders en het buitenlandse kind mag met meer dan twee jaren worden overschreden bij opneming van een buitenlands kind, in ieder geval indien:
a. er sprake is van een buitenlands kind in de leeftijd vanaf twee jaar, dat kan worden opgenomen door aspirant-adoptiefouders van wie een of beiden ouder zijn dan tweeënveertig jaar;
b. het betreft een jongere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;
c. het betreft de gezamenlijke opneming van twee of meer buitenlandse kinderen uit een familie tussen wie onderling een groot leeftijdsverschil bestaat en de overschrijding een of meer kinderen betreft;
d. er sprake is van een moeilijk plaatsbaar buitenlands kind vanwege een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde lichamelijke handicap, een manifeste gedragsstoornis, een meer dan normale achterstand in lichamelijke en/of geestelijke ontwikkeling, of een direkte noodzaak tot medische behandeling, die niet of bezwaarlijk in het land van herkomst kan plaats vinden.
3. In alle gevallen dient uit specifiek daarop gericht onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te blijken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt zijn tot de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind als bedoeld in het tweede lid, a. tot en met d. en dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht.