BWBR0011468
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 46
Wet bescherming persoonsgegevens
1. Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36of 38, tweede lid, toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40of 41al dan niet te honoreren.
2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn.
3. De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond oordeelt. Alvorens de rechtbank beslist, stelt zij zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
4. De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.
5. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingis van overeenkomstige toepassing.
6. De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/8:45" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300"> 8:45, tweede en derde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/8:29" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">8:29 van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn.
3. De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond oordeelt. Alvorens de rechtbank beslist, stelt zij zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.
4. De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.
5. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingis van overeenkomstige toepassing.
6. De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/8:45" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300"> 8:45, tweede en derde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/8:29" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">8:29 van de Algemene wet bestuursrecht</a>zijn van overeenkomstige toepassing.