BWBR0011196
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 4
Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen
1. Het college van burgemeester en wethouders declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten van de verleende en uitbetaalde woonvoorzieningen door middel van een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave wordt voor 20 september van het jaar volgend op het kalenderjaar ingediend bij Onze Minister, voorzien van een verklaring en een rapport van bevindingen van de deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewetvoorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
2. Onze Minister stelt de vergoedingen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, vast binnen een jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren, indien het college van burgemeester en wethouders niet heeft gehandeld overeenkomstig dit besluit. Onze Minister kan de onverschuldigde vergoedingsbedragen geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen.
4. Onze Minister verleent op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een voorschot per verleende en uitbetaalde woonvoorziening.
2. Onze Minister stelt de vergoedingen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, vast binnen een jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister kan een vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren, indien het college van burgemeester en wethouders niet heeft gehandeld overeenkomstig dit besluit. Onze Minister kan de onverschuldigde vergoedingsbedragen geheel of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen.
4. Onze Minister verleent op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een voorschot per verleende en uitbetaalde woonvoorziening.