BWBR0011088
Geldig vanaf 2000-01-23
Artikel 2
Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies
1. In dit besluit wordt verstaan onder bezoldiging: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over een maand, waarop de betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had of bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad.
2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde gelden de toelagen, bedoeld in de artikelen 14en 18, eerste lid, van voornoemd besluit en de over die toelagen berekende vakantie-uitkering niet als deel van de bezoldiging.
3. Als bezoldiging gelden mede de aanspraken die de betrokkene op de dag voorafgaande aan zijn ontslag ontleende aan de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren 1984, indien en voor zover de betrokkene die aanspraken eveneens zou hebben ontleend aan het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 indien dat besluit, zoals dat laatstelijk luidde, op dat tijdstip nog zou hebben gegolden.
4. Indien de betrokkene geen ambtenaar is in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984geldt als bezoldiging hetgeen met het in het eerste tot en met het derde lid daaromtrent bepaalde overeenkomt.
5. Indien de door een betrokkene over de laatste aan het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden genoten bezoldiging in de zin van voornoemd besluit, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt, alsmede de over die maanden genoten vakantie-uitkering dan wel verkregen aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten waaronder begrepen de evengenoemde aanspraken bestonden, geldt in zoverre in afwijking van het eerste lid als bezoldiging, met inachtneming van het in het tweede, derde en vierde lid bepaalde, het gemiddelde van die inkomsten.
6. De bezoldiging, omschreven in het eerste tot en met vijfde lid, wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.
7. Voor betrekkingen die geleidelijk worden opgeheven, alsmede in bijzondere gevallen, kan de Minister van het eerste tot en met het vijfde lid ten gunste van de betrokkene afwijken.
2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde gelden de toelagen, bedoeld in de artikelen 14en 18, eerste lid, van voornoemd besluit en de over die toelagen berekende vakantie-uitkering niet als deel van de bezoldiging.
3. Als bezoldiging gelden mede de aanspraken die de betrokkene op de dag voorafgaande aan zijn ontslag ontleende aan de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren 1984, indien en voor zover de betrokkene die aanspraken eveneens zou hebben ontleend aan het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 indien dat besluit, zoals dat laatstelijk luidde, op dat tijdstip nog zou hebben gegolden.
4. Indien de betrokkene geen ambtenaar is in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984geldt als bezoldiging hetgeen met het in het eerste tot en met het derde lid daaromtrent bepaalde overeenkomt.
5. Indien de door een betrokkene over de laatste aan het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden genoten bezoldiging in de zin van voornoemd besluit, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt, alsmede de over die maanden genoten vakantie-uitkering dan wel verkregen aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten waaronder begrepen de evengenoemde aanspraken bestonden, geldt in zoverre in afwijking van het eerste lid als bezoldiging, met inachtneming van het in het tweede, derde en vierde lid bepaalde, het gemiddelde van die inkomsten.
6. De bezoldiging, omschreven in het eerste tot en met vijfde lid, wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.
7. Voor betrekkingen die geleidelijk worden opgeheven, alsmede in bijzondere gevallen, kan de Minister van het eerste tot en met het vijfde lid ten gunste van de betrokkene afwijken.