1. De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling in langere termijnen geschieden.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene aan wie de uitkering is toegekend, wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging, over een tijdvak van drie maanden.
3. Indien op de uitkering een vermindering wordt toegepast krachtens de artikelen 6, 7, eerste lid, 9en 13, of artikel 14, derde lid, wordt toegepast, dan is de in het tweede lid bedoelde uitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die de betrokkene op de dag van het overlijden ontving, over een tijdvak van drie maanden.
4. Ingeval recht bestaat op twee uitkeringen als bedoeld in artikel 1, onder k, en geen vermindering krachtens enige bepaling van dit besluit wordt toegepast, wordt meerbedoelde uitkering gesteld op het bedrag van de hoogste bezoldiging, waarvan de betreffende uitkering is afgeleid over een tijdvak van drie maanden. Indien zulks wel het geval is, wordt op het bedrag van de uitkering in mindering gebracht de uitkering wegens overlijden, waarop aanspraak bestaat uit hoofde van een andere dienstbetrekking.
5. In dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven levenspartner met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoonde en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de achtergebleven geregistreerde partner.
6. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als weduwe of weduwnaar worden aangemerkt.
7. De Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract, bedoeld in het vijfde lid, is gesloten.
8. Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar na van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het tweede en derde lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
9. Onder pleegouderlijke zorg, bedoeld in het vorige lid, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als ware het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
10. Indien ook de kinderen, bedoeld in het achtste lid, ontbreken, dan geschiedt de uitkering van het in het tweede en derde lid bedoelde bedrag aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de overledene.
11. Op de uitkering, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens
artikel 102, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
12. Laat de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede, achtste en tiende lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.