BWBR0011052
Geldig vanaf 2000-01-22
Artikel 16
Regeling ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo 2000-2004
1. De minister stelt een tijdelijke commissie ’Ondersteuning herstructurering kunstonderwijs hbo’ in.
2. De commissie bestaat uit:
een voorzitter op voordracht van de minister;
een lid op voordracht van de HBO-raad;
een lid op voordracht van de Raad voor Cultuur.
3. De commissie heeft tot taak om vóór 5 mei 2000 de minister te adviseren over de subsidieaanvragen voor instellingsspecifieke activiteiten als bedoeld in artikel 8.
4. De commissie beoordeelt de subsidieaanvraag naar de mate waarin deze recht doet aan de kaders geformuleerd in de nota ’Zicht op kwaliteit: ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs’ en aan de conclusies in het overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal over deze nota op 6 september 1999.
5. De leden van de commissie komen tot hun oordeel zonder last of ruggespraak.
6. Op het advies van commissie zijn de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing.
7. De commissie voorziet in haar eigen secretariaat. De commissie bepaalt haar eigen werkzaamheden en regelt de werkzaamheden van het secretariaat.
8. Het beheer van de stukken van de commissie geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde. Na opheffing van de commissie wordt het archief overgedragen aan de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
9. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Op de leden van de commissie zijn het Reisbesluit binnenland en het Vacatiegeldenbesluit 1998 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is overeengekomen met de leden van de commissie.
2. De commissie bestaat uit:
een voorzitter op voordracht van de minister;
een lid op voordracht van de HBO-raad;
een lid op voordracht van de Raad voor Cultuur.
3. De commissie heeft tot taak om vóór 5 mei 2000 de minister te adviseren over de subsidieaanvragen voor instellingsspecifieke activiteiten als bedoeld in artikel 8.
4. De commissie beoordeelt de subsidieaanvraag naar de mate waarin deze recht doet aan de kaders geformuleerd in de nota ’Zicht op kwaliteit: ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs’ en aan de conclusies in het overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal over deze nota op 6 september 1999.
5. De leden van de commissie komen tot hun oordeel zonder last of ruggespraak.
6. Op het advies van commissie zijn de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing.
7. De commissie voorziet in haar eigen secretariaat. De commissie bepaalt haar eigen werkzaamheden en regelt de werkzaamheden van het secretariaat.
8. Het beheer van de stukken van de commissie geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde. Na opheffing van de commissie wordt het archief overgedragen aan de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
9. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Op de leden van de commissie zijn het Reisbesluit binnenland en het Vacatiegeldenbesluit 1998 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is overeengekomen met de leden van de commissie.