BWBR0010776
Geldig vanaf 1999-11-13
Artikel 5
Instellingsbesluit Commissie schadebeoordeling beleidslijn ’Ruimte voor de rivier’
1. De commissie bestaat uit drie leden.
2. De leden van de commissie worden als volgt benoemd:
a. één lid wordt benoemd door de Minister;
b. één lid wordt benoemd door de Minister op voordracht van het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
c. één lid wordt benoemd door de Minister op voordracht van de twee eerst benoemde leden.
3. De commissie benoemt uit haar midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter.
4. De leden zijn onafhankelijk en hebben geen bindingen met of geen belangen in een der gemeenten die belast zijn met de uitvoering van de Beleidslijn of de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of van Verkeer en Waterstaat.
5. De leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de Minister.
6. In het geval de commissie door terugtreden van één lid niet meer voltallig is, zet de commissie haar werkzaamheden voort. De Minister neemt in dat geval onverwijld maatregelen tot aanvulling van de commissie. Daalt het aantal leden van de commissie beneden het aantal van twee, dan schort de commissie haar werkzaamheden op tot het moment waarop de Minister door benoeming in tenminste één vacature heeft voorzien.
7. De minister kan op verzoek van de commissie overgaan tot het benoemen van plaatsvervangende leden. Het tweede lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.
2. De leden van de commissie worden als volgt benoemd:
a. één lid wordt benoemd door de Minister;
b. één lid wordt benoemd door de Minister op voordracht van het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
c. één lid wordt benoemd door de Minister op voordracht van de twee eerst benoemde leden.
3. De commissie benoemt uit haar midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter.
4. De leden zijn onafhankelijk en hebben geen bindingen met of geen belangen in een der gemeenten die belast zijn met de uitvoering van de Beleidslijn of de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of van Verkeer en Waterstaat.
5. De leden kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de Minister.
6. In het geval de commissie door terugtreden van één lid niet meer voltallig is, zet de commissie haar werkzaamheden voort. De Minister neemt in dat geval onverwijld maatregelen tot aanvulling van de commissie. Daalt het aantal leden van de commissie beneden het aantal van twee, dan schort de commissie haar werkzaamheden op tot het moment waarop de Minister door benoeming in tenminste één vacature heeft voorzien.
7. De minister kan op verzoek van de commissie overgaan tot het benoemen van plaatsvervangende leden. Het tweede lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.