BWBR0010773
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 15
Besluit voorzieningen Remigratiewet
1. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4en 11, eerste lid, van de wetvervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
2. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4en 11, eerste lid, van de wetwordt omgezet in een recht op de voorzieningen, bedoeld in die artikelen, als ware de remigrant een alleenstaande remigrant met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
3. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wetvervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
4. Na het overlijden van de personen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan:
a. de partner of aan de remigrant, of indien deze er niet zijn, aan
b. de kinderen of indien deze er niet zijn, aan
c. de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben ingediend.
2. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4en 11, eerste lid, van de wetwordt omgezet in een recht op de voorzieningen, bedoeld in die artikelen, als ware de remigrant een alleenstaande remigrant met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
3. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wetvervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
4. Na het overlijden van de personen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan:
a. de partner of aan de remigrant, of indien deze er niet zijn, aan
b. de kinderen of indien deze er niet zijn, aan
c. de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben ingediend.