BWBR0010773
Geldig vanaf 2000-04-01
Artikel 14
Besluit voorzieningen Remigratiewet
1. Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in op de eerste dag na die van vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland.
2. Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in ieder geval niet eerder in dan op de eerste dag van de maand na die waarop het besluit op de aanvraag is genomen.
3. De SVB kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van de remigrant, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, en artikel 11, eerste lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
5. Het recht van de partner op de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de maand waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
6. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant of zijn partner is overleden.
7. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant en zijn partner niet meer in leven zijn.
2. Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in ieder geval niet eerder in dan op de eerste dag van de maand na die waarop het besluit op de aanvraag is genomen.
3. De SVB kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van de remigrant, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, en artikel 11, eerste lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
5. Het recht van de partner op de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de maand waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
6. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant of zijn partner is overleden.
7. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wetgaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant en zijn partner niet meer in leven zijn.