BWBR0010630
Geldig vanaf 1999-08-27
Artikel 5
Uitvoeringsbesluit Wet SLOA
1. Het financieel verslag, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet, maakt onderdeel uit van de jaarrekening, bedoeld in het tweede lid, en gaat vergezeld van een vergelijking tussen de uitgaven en inkomsten die aan de projecten zijn verbonden, in de periode waarop het financieel verslag betrekking heeft en in de periode bestreken door het aan dat verslag voorafgaande financieel verslag.
2. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een afschrift van de jaarrekening, bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, betreffende het kalenderjaar waarop het financieel verslag betrekking heeft, zulks met inbegrip van een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de verklaring omtrent de jaarrekening, bedoeld in het tweede lid, onderzoekt de accountant of het financieel verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het met het financieel verslag samenhangende activiteitenverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, met het financieel verslag verenigbaar is.
4. Indien het financieel verslag meer dan een kalenderjaar omvat, wordt ten aanzien van ieder kalenderjaar een afschrift van de jaarrekening als bedoeld in het tweede lid, overgelegd.
5. Onze Minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van het financieel verslag en de accountantsverklaring. Hij kan daarbij bepalen dat de accountant, bedoeld in het derde lid, zijn onderzoek inricht overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen controleprotocol.
6. Indien subsidie is verleend voor minder dan een kalenderjaar, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend na afloop van dat kalenderjaar.
7. Onze Minister beslist binnen zes maanden op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
2. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een afschrift van de jaarrekening, bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, betreffende het kalenderjaar waarop het financieel verslag betrekking heeft, zulks met inbegrip van een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. In de verklaring omtrent de jaarrekening, bedoeld in het tweede lid, onderzoekt de accountant of het financieel verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het met het financieel verslag samenhangende activiteitenverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, met het financieel verslag verenigbaar is.
4. Indien het financieel verslag meer dan een kalenderjaar omvat, wordt ten aanzien van ieder kalenderjaar een afschrift van de jaarrekening als bedoeld in het tweede lid, overgelegd.
5. Onze Minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van het financieel verslag en de accountantsverklaring. Hij kan daarbij bepalen dat de accountant, bedoeld in het derde lid, zijn onderzoek inricht overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen controleprotocol.
6. Indien subsidie is verleend voor minder dan een kalenderjaar, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend na afloop van dat kalenderjaar.
7. Onze Minister beslist binnen zes maanden op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.