BWBR0010517
Geldig vanaf 1999-06-30
Artikel 10
Aanvullend luchthavenreglement Texel
Met inachtneming van artikel 26 van het Algemeen luchthavenreglement worden de volgende voorschriften vastgesteld:
1. voor de dagelijkse parachutespringactiviteiten meldt de instructeur van dienst zich bij de havendienst;
2. de plaats van landing van de parachutisten op het luchtvaartterrein wordt door de havendienst aangegeven;
3. de dagelijkse springtijden zijn in overeenstemming met de afspraken welke zijn gemaakt met de commissie geluidhinder luchtvaartterrein Texel, zoals bedoeld in artikel 28 van de Luchtvaartwet;
4. één minuut voor elke afsprong meldt de gezagvoerder dit via de boordradio aan de havendienst;
5. de havendienst is bevoegd het springen stop te zetten;
6. er wordt uitsluitend onder zichtweersomstandigheden (VMC) gesprongen, in ieder geval zijn vanaf de grond zowel het paravliegtuig als de parachutisten duidelijk zichtbaar;
7. onmiddellijk na de landing verzamelen de parachutisten zich bij het afhaalpunt, alwaar zij door een bevoegd persoon begeleid zullen worden bij het oversteken van de landingsbaan. De landingszone (50 meter vanaf de baanmarkering) wordt pas betreden als zich geen vliegverkeer in het circuitgebied bevindt;
8. parachutisten mogen het paravliegtuig betreden bij in werking gestelde motor, mits onder begeleiding van deskundige leiding en volgens een met de gezagvoerder overeengekomen procedure;
9. alle aanwijzingen van de havendienst worden nauwgezet opgevolgd;
10. schade aan personen of eigendommen van derden veroorzaakt door de parachutespringactiviteiten worden aan de havendienst gemeld en komen ten laste van het desbetreffende parabedrijf.
1. voor de dagelijkse parachutespringactiviteiten meldt de instructeur van dienst zich bij de havendienst;
2. de plaats van landing van de parachutisten op het luchtvaartterrein wordt door de havendienst aangegeven;
3. de dagelijkse springtijden zijn in overeenstemming met de afspraken welke zijn gemaakt met de commissie geluidhinder luchtvaartterrein Texel, zoals bedoeld in artikel 28 van de Luchtvaartwet;
4. één minuut voor elke afsprong meldt de gezagvoerder dit via de boordradio aan de havendienst;
5. de havendienst is bevoegd het springen stop te zetten;
6. er wordt uitsluitend onder zichtweersomstandigheden (VMC) gesprongen, in ieder geval zijn vanaf de grond zowel het paravliegtuig als de parachutisten duidelijk zichtbaar;
7. onmiddellijk na de landing verzamelen de parachutisten zich bij het afhaalpunt, alwaar zij door een bevoegd persoon begeleid zullen worden bij het oversteken van de landingsbaan. De landingszone (50 meter vanaf de baanmarkering) wordt pas betreden als zich geen vliegverkeer in het circuitgebied bevindt;
8. parachutisten mogen het paravliegtuig betreden bij in werking gestelde motor, mits onder begeleiding van deskundige leiding en volgens een met de gezagvoerder overeengekomen procedure;
9. alle aanwijzingen van de havendienst worden nauwgezet opgevolgd;
10. schade aan personen of eigendommen van derden veroorzaakt door de parachutespringactiviteiten worden aan de havendienst gemeld en komen ten laste van het desbetreffende parabedrijf.