BWBR0010379
Geldig vanaf 1999-04-08
Artikel 4
Regeling subsidie Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek
1. Uiterlijk op 15 december in het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar doet de minister DLO programma-indicaties toekomen.
2. DLO werkt deze indicaties op hoofdlijnen uit tot globale programmavoorstellen.
3. DLO doet de globale programmavoorstellen voor 15 februari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar aan de minister toekomen, vergezeld van een kostenraming en een voorstel voor de te hanteren normkosten.
4. Uiterlijk op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zendt de minister DLO een kaderbrief. De kaderbrief beschrijft:
a. de door de minister gewenste programma-activiteiten voor het subsidiejaar;
b. het door de minister gewenste voortschrijdende perspectief van de programma’s en
c. de door de minister voor het subsidiejaar vastgestelde normkosten.
5. De kaderbrief bevat een indicatie van het voor het betreffende subsidiejaar beschikbare subsidiebedrag, alsmede de financiële en overige randvoorwaarden die van toepassing zijn.
6. Met inachtneming van de kaderbrief stelt DLO concept-programma’s en concept-werkplannen ter uitvoering van die programma’s op en doet deze de minister uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar toekomen.
7. De minister zendt zijn opmerkingen omtrent de in het zesde lid bedoelde concepten voor 15 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar aan DLO.
8. Uiterlijk op 15 november van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar legt DLO de programma’s ter vaststelling voor aan de minister.
2. DLO werkt deze indicaties op hoofdlijnen uit tot globale programmavoorstellen.
3. DLO doet de globale programmavoorstellen voor 15 februari van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar aan de minister toekomen, vergezeld van een kostenraming en een voorstel voor de te hanteren normkosten.
4. Uiterlijk op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zendt de minister DLO een kaderbrief. De kaderbrief beschrijft:
a. de door de minister gewenste programma-activiteiten voor het subsidiejaar;
b. het door de minister gewenste voortschrijdende perspectief van de programma’s en
c. de door de minister voor het subsidiejaar vastgestelde normkosten.
5. De kaderbrief bevat een indicatie van het voor het betreffende subsidiejaar beschikbare subsidiebedrag, alsmede de financiële en overige randvoorwaarden die van toepassing zijn.
6. Met inachtneming van de kaderbrief stelt DLO concept-programma’s en concept-werkplannen ter uitvoering van die programma’s op en doet deze de minister uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar toekomen.
7. De minister zendt zijn opmerkingen omtrent de in het zesde lid bedoelde concepten voor 15 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar aan DLO.
8. Uiterlijk op 15 november van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar legt DLO de programma’s ter vaststelling voor aan de minister.