1. Gedurende het subsidiejaar kan de minister de subsidieverlening wijzigen:
a. indien zich ontwikkelingen dan wel calamiteiten op het beleidsveld van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voordoen, die een andere inzet van onderzoekcapaciteit door DLO vereisen dan voortvloeit uit de werkplannen die aan de subsidieverlening ten grondslag liggen;
b. indien zich zodanige wetenschappelijke, technologische, juridische of bestuurlijke ontwikkelingen voordoen, dat een ongewijzigde voortzetting van een of meer programma’s niet doelmatig is;
c. indien zich aanvullende onderzoeksvragen voor doen, die bij de vaststelling van de programma’s en de daarop gebaseerde werkplannen niet waren voorzien;
d. indien een suppletoire begroting zodanige wijzigingen aanbrengt in de begroting ten laste waarvan de subsidie is verleend, dat wijziging van de subsidieverlening noodzakelijk is.
2. Behoudens indien sprake is van calamiteiten of van de in het eerste lid, onder c en d, bedoelde feiten, wijzigt de minister de subsidieverlening pas nadat DLO in opdracht en voor rekening van de minister een uitvoerbaarheidstoets op de aan te brengen wijzigingen in de activiteiten en projecten heeft uitgevoerd.
3. De minister ontvangt binnen 6 weken na de opdrachtverlening de bevindingen van de uitvoerbaarheidstoets.