BWBR0010353
Geldig vanaf 1999-06-01
Artikel 3.7
Cadmiumbesluit milieubeheer
1. Het verbod, bedoeld in artikel 3.1, geldt niet voor degene die voornemens is een cadmiumhoudend product te vervaardigen of in Nederland in te voeren, indien:
a. hij het cadmium toepast om veiligheidsredenen,
b. er geen gelijkwaardig alternatief is voor de toepassing van het cadmium, en
c. hij dat voornemen aan Onze Minister heeft gemeld en Onze Minister binnen vier weken schriftelijk te kennen heeft gegeven het verbod niet te zullen handhaven.
2. Indien degene die voornemens is een cadmiumhoudend product in Nederland in te voeren niet in Nederland is gevestigd, wordt het voornemen gemeld door degene of degenen aan wie het product na invoer voor het eerst ter beschikking zal worden gesteld.
3. De melding mag achterwege blijven indien voor het cadmiumhoudend product een melding als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, is gedaan.
4. De melding geschiedt schriftelijk en bevat de volgende gegevens:
a. waarom de toepassing van cadmium om veiligheidsredenen noodzakelijk is;
b. de mogelijke alternatieven voor de toepassing van cadmium;
c. de redenen waarom die alternatieven niet gelijkwaardig zijn;
d. welke activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling van een gelijkwaardig alternatief denkbaar en mogelijk zijn, maar welke activiteiten niet van hem kunnen worden gevergd, en
e. de redenen waarom die activiteit of activiteiten in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd.
5. De kennisgeving van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt ten hoogste vier jaren en wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
a. hij het cadmium toepast om veiligheidsredenen,
b. er geen gelijkwaardig alternatief is voor de toepassing van het cadmium, en
c. hij dat voornemen aan Onze Minister heeft gemeld en Onze Minister binnen vier weken schriftelijk te kennen heeft gegeven het verbod niet te zullen handhaven.
2. Indien degene die voornemens is een cadmiumhoudend product in Nederland in te voeren niet in Nederland is gevestigd, wordt het voornemen gemeld door degene of degenen aan wie het product na invoer voor het eerst ter beschikking zal worden gesteld.
3. De melding mag achterwege blijven indien voor het cadmiumhoudend product een melding als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, is gedaan.
4. De melding geschiedt schriftelijk en bevat de volgende gegevens:
a. waarom de toepassing van cadmium om veiligheidsredenen noodzakelijk is;
b. de mogelijke alternatieven voor de toepassing van cadmium;
c. de redenen waarom die alternatieven niet gelijkwaardig zijn;
d. welke activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling van een gelijkwaardig alternatief denkbaar en mogelijk zijn, maar welke activiteiten niet van hem kunnen worden gevergd, en
e. de redenen waarom die activiteit of activiteiten in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd.
5. De kennisgeving van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt ten hoogste vier jaren en wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.