BWBR0010353
Geldig vanaf 1999-06-01
Artikel 2.3
Cadmiumbesluit milieubeheer
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, geldt niet indien:
a. het cadmium wordt toegepast om veiligheidsredenen;
b. er geen gelijkwaardig alternatief is voor de toepassing van het cadmium;
c. degene die voornemens is het cadmium als pigment, kleurstof of als stabilisator in een product toe te passen dan wel als oppervlaktelaag op een product aan te brengen dat voornemen aan Onze Minister heeft gemeld, en
d. Onze Minister binnen vier weken schriftelijk te kennen heeft gegeven het verbod niet te zullen handhaven.
2. De melding geschiedt schriftelijk en bevat de volgende gegevens:
a. de redenen waarom de toepassing van cadmium om veiligheidsredenen noodzakelijk is;
b. de mogelijke, kennelijk niet gelijkwaardige alternatieven voor de toepassing van cadmium;
c. de redenen waarom die alternatieven niet gelijkwaardig zijn;
d. welke activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling van een gelijkwaardig alternatief denkbaar en mogelijk zijn, maar welke activiteiten niet van hem kunnen worden gevergd, en
e. de redenen waarom die activiteit of activiteiten in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd.
3. De mededeling van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt ten hoogste vier jaren en wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
a. het cadmium wordt toegepast om veiligheidsredenen;
b. er geen gelijkwaardig alternatief is voor de toepassing van het cadmium;
c. degene die voornemens is het cadmium als pigment, kleurstof of als stabilisator in een product toe te passen dan wel als oppervlaktelaag op een product aan te brengen dat voornemen aan Onze Minister heeft gemeld, en
d. Onze Minister binnen vier weken schriftelijk te kennen heeft gegeven het verbod niet te zullen handhaven.
2. De melding geschiedt schriftelijk en bevat de volgende gegevens:
a. de redenen waarom de toepassing van cadmium om veiligheidsredenen noodzakelijk is;
b. de mogelijke, kennelijk niet gelijkwaardige alternatieven voor de toepassing van cadmium;
c. de redenen waarom die alternatieven niet gelijkwaardig zijn;
d. welke activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling van een gelijkwaardig alternatief denkbaar en mogelijk zijn, maar welke activiteiten niet van hem kunnen worden gevergd, en
e. de redenen waarom die activiteit of activiteiten in redelijkheid niet van hem kunnen worden gevergd.
3. De mededeling van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt ten hoogste vier jaren en wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.