BWBR0010253
Geldig vanaf 1999-02-20
Artikel 4
Regeling GO- en vakbondsfaciliteiten 1998
1. Het buitengewoon verlof wordt aan een betrokkene verleend op de voet van het bepaalde in artikel I-C38 van het rechtspositiebesluit.
2. Aan de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel b, en artikel I-R101, onderdeel b, van het rechtspositiebesluit wordt door de instelling desgevraagd lang dan wel kort buitengewoon verlof verleend.
3. Het kort buitengewoon verlof wordt ten behoeve van incidentele werkzaamheden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, verleend voor ten hoogste 15 dagen per instellingsjaar.
4. Aan de betrokkene, bedoeld in artikel I-S101, eerste lid, onderdeel a, van het rechtspositiebesluit wordt het buitengewoon verlof verleend op de voet van het bepaalde in artikel 33b, tweede, vierde en zesde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
5. Het buitengewoon verlof dat wordt verleend ten behoeve van het op uitnodiging van een centrale of personeelsorganisatie deelnemen aan een cursus bedraagt ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is.
6. In bijzondere gevallen wordt aan de betrokkene, bedoeld in het vierde lid, lang buitengewoon verlof verleend.
7. In andere gevallen dan genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid kan aan een betrokkene lang dan wel kort buitengewoon verlof worden verleend.
2. Aan de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel b, en artikel I-R101, onderdeel b, van het rechtspositiebesluit wordt door de instelling desgevraagd lang dan wel kort buitengewoon verlof verleend.
3. Het kort buitengewoon verlof wordt ten behoeve van incidentele werkzaamheden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, verleend voor ten hoogste 15 dagen per instellingsjaar.
4. Aan de betrokkene, bedoeld in artikel I-S101, eerste lid, onderdeel a, van het rechtspositiebesluit wordt het buitengewoon verlof verleend op de voet van het bepaalde in artikel 33b, tweede, vierde en zesde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
5. Het buitengewoon verlof dat wordt verleend ten behoeve van het op uitnodiging van een centrale of personeelsorganisatie deelnemen aan een cursus bedraagt ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is.
6. In bijzondere gevallen wordt aan de betrokkene, bedoeld in het vierde lid, lang buitengewoon verlof verleend.
7. In andere gevallen dan genoemd in het eerste tot en met het vijfde lid kan aan een betrokkene lang dan wel kort buitengewoon verlof worden verleend.