BWBR0010253
Geldig vanaf 1999-02-20
Artikel 2
Regeling GO- en vakbondsfaciliteiten 1998
1. Onze minister stelt op grond van artikel 26.03 van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) een budget beschikbaar aan de stichting ten behoeve van de vergoeding van de kosten van de vervanging van degene die lang buitengewoon verlof geniet in verband met werkzaamheden voor het georganiseerd overleg en voor vakbondswerkzaamheden voor onderwijspersoneel van instellingen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan het budget als bedoeld in het eerste lid ook anderszins worden aangewend voor werkzaamheden ten behoeve van het georganiseerd overleg en voor vakbondswerkzaamheden voor het personeel van instellingen.
3. Het budget wordt door de stichting verdeeld over de centrales.
4. De centrales verdelen het hun toekomende deel over de personeelsorganisaties ter vergoeding van de kosten als bedoeld in het eerste lid.
5. De vergoeding wordt door de centrales, danwel door de personeelsorganisaties verleend aan de instelling waaraan degene aan wie buitengewoon verlof is verleend is verbonden.
6. Binnen zeven maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor het in het eerste lid bedoelde budget is toegekend, dient het bestuur van de stichting bij Onze minister een verslag in over dat kalenderjaar, bestaande uit de jaarrekening, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Het verslag bevat tevens een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt in hoeverre het budget is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling.
7. Voorzover niet uit de verklaring bedoeld in het zesde lid blijkt dat het budget is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.
8. De accountant die door onze minister is belast met het onderzoek van de jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de stichting en aan hem worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan het budget als bedoeld in het eerste lid ook anderszins worden aangewend voor werkzaamheden ten behoeve van het georganiseerd overleg en voor vakbondswerkzaamheden voor het personeel van instellingen.
3. Het budget wordt door de stichting verdeeld over de centrales.
4. De centrales verdelen het hun toekomende deel over de personeelsorganisaties ter vergoeding van de kosten als bedoeld in het eerste lid.
5. De vergoeding wordt door de centrales, danwel door de personeelsorganisaties verleend aan de instelling waaraan degene aan wie buitengewoon verlof is verleend is verbonden.
6. Binnen zeven maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor het in het eerste lid bedoelde budget is toegekend, dient het bestuur van de stichting bij Onze minister een verslag in over dat kalenderjaar, bestaande uit de jaarrekening, het jaarverslag en overige financiële gegevens. Het verslag bevat tevens een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt in hoeverre het budget is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling.
7. Voorzover niet uit de verklaring bedoeld in het zesde lid blijkt dat het budget is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling vordert Onze minister het desbetreffende bedrag terug.
8. De accountant die door onze minister is belast met het onderzoek van de jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot de stichting en aan hem worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.