BWBR0010048
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 6
Subsidieregeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
1. De minister verleent op aanvraag aan een aanvrager een subsidie voor een door het consortium uit te voeren project als bedoeld in artikel 2, dat op grond van het advies van de adviescommissie, bedoeld in artikel 4, door de minister is geselecteerd.
2. Binnen het project bedraagt de ontwikkelingsfase van innovatieve leermiddelen/methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten ten hoogste twee jaar. De implementatiefase binnen het project bedraagt ten hoogste een jaar.
3. De subsidie voor een project bedraagt minimaal EUR 20.000 en maximaal EUR 300.000.
4. Indien voor het project, vanwege een gemeente, een provincie, of de overheid, alsmede op grond van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een subsidie is of wordt verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie ter beschikking gesteld, dat per project het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan vijftig procent van de kosten van het project.
5. Een aanvraag om subsidie voor 1999 wordt in de periode van 4 januari 1999 tot en met 1 april 1999, of in de periode van 6 april 1999 tot en met 17 september 1999 ingediend bij Senter met gebruikmaking van een volledig ingevuld origineel van een ondertekend formulier dat bij Senter verkrijgbaar is, en de bijlagen, bedoeld in het zevende lid.
6. De minister maakt in de publicatie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, tevens de periodes van indiening van de aanvraag op grond van deze regeling voor het eerstvolgende kalenderjaar bekend.
7. Een aanvraag gaat vergezeld van:
a. een projectplan voor de duur van het project dat voldoet aan de opzet zoals weergegeven in de door Senter geschreven handleiding;
b. een of meer samenwerkingsovereenkomsten;
c. een machtiging van de leden van het consortium ten behoeve van de aanvrager,
d. een begroting, en
e. een tijd-kostenplan.
8. De begroting biedt inzicht in de inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de projectactiviteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
9. De begroting is voorzien van een toelichting per post in de vorm van een uitgewerkt activiteitenplan.
10. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie komen als subsidiabele kosten van het project uitsluitend in aanmerking:
a. loonkosten van personeel van een of meer organisaties of natuurlijke personen van het consortium;
b. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verrichte arbeid in het kader van het project;
c. een opslag voor algemene kosten, niet hoger dan 40% van de onder a bedoelde loonkosten van het project;
d. materiaalkosten van het project met uitzondering van kosten gemaakt voor hardware.
11. Het aandeel in de kosten van het project dat aan derden als bedoeld in het tiende lid, onder b, wordt besteed, bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten van het project.
12. Het aandeel in de kosten van het project dat aan materiaalkosten als bedoeld in het tiende lid, onder d, wordt besteed, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten van het project.
2. Binnen het project bedraagt de ontwikkelingsfase van innovatieve leermiddelen/methoden of daarmee vergelijkbare instrumenten ten hoogste twee jaar. De implementatiefase binnen het project bedraagt ten hoogste een jaar.
3. De subsidie voor een project bedraagt minimaal EUR 20.000 en maximaal EUR 300.000.
4. Indien voor het project, vanwege een gemeente, een provincie, of de overheid, alsmede op grond van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een subsidie is of wordt verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie ter beschikking gesteld, dat per project het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan vijftig procent van de kosten van het project.
5. Een aanvraag om subsidie voor 1999 wordt in de periode van 4 januari 1999 tot en met 1 april 1999, of in de periode van 6 april 1999 tot en met 17 september 1999 ingediend bij Senter met gebruikmaking van een volledig ingevuld origineel van een ondertekend formulier dat bij Senter verkrijgbaar is, en de bijlagen, bedoeld in het zevende lid.
6. De minister maakt in de publicatie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, tevens de periodes van indiening van de aanvraag op grond van deze regeling voor het eerstvolgende kalenderjaar bekend.
7. Een aanvraag gaat vergezeld van:
a. een projectplan voor de duur van het project dat voldoet aan de opzet zoals weergegeven in de door Senter geschreven handleiding;
b. een of meer samenwerkingsovereenkomsten;
c. een machtiging van de leden van het consortium ten behoeve van de aanvrager,
d. een begroting, en
e. een tijd-kostenplan.
8. De begroting biedt inzicht in de inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de projectactiviteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
9. De begroting is voorzien van een toelichting per post in de vorm van een uitgewerkt activiteitenplan.
10. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie komen als subsidiabele kosten van het project uitsluitend in aanmerking:
a. loonkosten van personeel van een of meer organisaties of natuurlijke personen van het consortium;
b. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verrichte arbeid in het kader van het project;
c. een opslag voor algemene kosten, niet hoger dan 40% van de onder a bedoelde loonkosten van het project;
d. materiaalkosten van het project met uitzondering van kosten gemaakt voor hardware.
11. Het aandeel in de kosten van het project dat aan derden als bedoeld in het tiende lid, onder b, wordt besteed, bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten van het project.
12. Het aandeel in de kosten van het project dat aan materiaalkosten als bedoeld in het tiende lid, onder d, wordt besteed, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten van het project.