BWBR0010048
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 4
Subsidieregeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
1. Er is een Adviescommissie Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter, drie andere leden en een ambtelijk secretaris.
3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast, met dien verstande dat per vergadering minimaal drie leden, waaronder bij voorkeur de voorzitter, aanwezig zijn.
5. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
7. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 15 november een verslag op van de werkzaamheden en het gevoerde beleid in de voorliggende periode. Het verslag wordt aan de minister toegezonden en met inachtneming van de Wet openbaarheid van bestuuralgemeen verkrijgbaar gesteld.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter, drie andere leden en een ambtelijk secretaris.
3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast, met dien verstande dat per vergadering minimaal drie leden, waaronder bij voorkeur de voorzitter, aanwezig zijn.
5. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
7. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 15 november een verslag op van de werkzaamheden en het gevoerde beleid in de voorliggende periode. Het verslag wordt aan de minister toegezonden en met inachtneming van de Wet openbaarheid van bestuuralgemeen verkrijgbaar gesteld.