Aan een gemeente kan een meerjarige uitkering worden verstrekt ten behoeve van een tieneropvangproject voor zover aan de Minister daartoe op de begroting voldoende middelen ter beschikking zijn gesteld. De uitkering wordt niet geweigerd indien gedurende het schooljaar 1999/2000 de opvang niet op alle schooldagen in stand wordt gehouden.
1. Bij de verlening bestaat de meerjarige uitkering maximaal uit de in een door de Minister goedgekeurde projectbegroting opgenomen kosten voor een tieneropvangproject tot een bedrag van de som van:
a. de helft van de totale exploitatiekosten tot een maximum van € 1 588,23 op jaarbasis per tieneropvangplaats;
b. de totale investeringskosten tot een maximum van € 1 815,12 per tieneropvangplaats;
c. de totale voorbereidings- en ontwikkelingskosten tot een maximum van € 907,56 per tieneropvangplaats tot een maximum van € 34 033,52 per tieneropvangproject; voor zover dat bedrag de kosten die ten laste van de gemeente komen niet overschrijdt.
2. De meerjarige uitkering wordt zonder onderscheid te maken naar kostensoort en ongeacht het aantal in stand gehouden tieneropvangplaatsen vastgesteld op het saldo van de werkelijke lasten en baten van de gemeente met als maximum het bedrag van de verleende uitkering.
1. Het maximumbedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt voor het schooljaar 1999/2000 naar evenredigheid verminderd, indien de tieneropvangplaats niet gedurende alle schooldagen in stand is gehouden.
2. De evenredige vermindering van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend per maand. Een gedeelte van een maand, waarin op minder dan alle schooldagen tieneropvang in stand wordt gehouden, wordt gerekend voor een hele.
De aanvraag wordt uiterlijk 1 maart 1999 ingediend. Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen wordt uiterlijk op 17 mei 1999 beslist op de aanvragen.
Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door de Minister vastgesteld aanvraagformulier.
1. De Minister zal aan de hand van de volgende criteria uit de ingediende aanvragen een aantal tieneropvangprojecten selecteren voor het verlenen van een uitkering op grond van artikel 2:
a. spreiding naar type gemeente;
b. spreiding naar verschillende vormen van tieneropvang;
c. spreiding naar het georganiseerd verband waarin tieneropvang wordt geboden;
d. de mate waarin het tieneropvangproject bijdraagt aan het verkrijgen van gegevens om te komen tot een maatschappelijk en beleidsmatig toekomstperspectief voor tieneropvang.
2. De Minister kan een uitkering verlenen voor een kleiner aantal opvangplaatsen dan waarvoor een aanvraag is gedaan, indien daarmee naar het oordeel van de Minister geen afbreuk wordt gedaan aan de geschiktheid van het tieneropvangproject volgens de in het eerste lid genoemde criteria.
Voor de verantwoording, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het besluit, worden gegevens verstrekt op een door de Minister vastgesteld verantwoordingsformulier.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 1999 en vervalt met ingang van 1 september 2003, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de verantwoording en vaststelling van op grond van deze regeling verleende uitkeringen.