BWBR0009956
Geldig vanaf 1998-11-01
Artikel 18.3
Model huisregels justitiële TBS-inrichtingen
Het hoofd van de inrichting kan verpleegden opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling laten verrichten.
In het beloningsysteem van de inrichting wordt vermeld welke beloning is gekoppeld aan welke opdrachten/werkzaamheden.
Het hoofd van de inrichting stelt voor iedere verpleegde vast, in hoeverre deze in staat is opdrachten/werkzaamheden te verrichten in het kader van zijn behandeling.
De betrokken verpleegde kan in dit verband door het hoofd van de inrichting hetzij als `geschikt voor opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling' hetzij als `ongeschikt voor opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling' worden aangemerkt.
In het verplegings- en behandelingsplan wordt opgenomen of de verpleegde als geschikt of ongeschikt voor het verrichten van opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling is aangemerkt.
De prestaties van de verpleegde ter zake van de verrichte opdrachten/werkzaamheden worden periodiek beoordeeld. Een beoordeling vindt in ieder geval plaats voorafgaand aan het moment dat betaling van de beloning zal plaatsvinden.
Desgewenst kan daarbij een puntensysteem worden gebruikt, waarbij punten kunnen worden gegeven op onderdelen van het werkgedrag (zoals: ijver, verantwoordelijkheidsgevoel, samenwerkingsgerichtheid, verzuim, werkweigering etc.). Een onderdeel van het puntensysteem kan zijn, dat er financiële bonussen gegeven kunnen worden.
Indien een verpleegde door het hoofd van de inrichting in dit verband als ongeschikt voor het verrichten van opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling is aangemerkt, hanteert de inrichting het volgende uitgangspunt: de verpleegde die op zichzelf bereid is opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling te verrichten krijgt - ongeacht de arbeidsinspanning ten aanzien van (eventueel) aangepaste opdrachten/werkzaamheden - een uitkering bestaande uit een bepaald deel, tenminste 70%, van hetgeen hij had kunnen verdienen (uitgezonderd eventuele financiële bonussen) in het geval van gehele geschiktheid.
In het beloningsysteem van de inrichting wordt vermeld welke beloning is gekoppeld aan welke opdrachten/werkzaamheden.
Het hoofd van de inrichting stelt voor iedere verpleegde vast, in hoeverre deze in staat is opdrachten/werkzaamheden te verrichten in het kader van zijn behandeling.
De betrokken verpleegde kan in dit verband door het hoofd van de inrichting hetzij als `geschikt voor opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling' hetzij als `ongeschikt voor opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling' worden aangemerkt.
In het verplegings- en behandelingsplan wordt opgenomen of de verpleegde als geschikt of ongeschikt voor het verrichten van opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling is aangemerkt.
De prestaties van de verpleegde ter zake van de verrichte opdrachten/werkzaamheden worden periodiek beoordeeld. Een beoordeling vindt in ieder geval plaats voorafgaand aan het moment dat betaling van de beloning zal plaatsvinden.
Desgewenst kan daarbij een puntensysteem worden gebruikt, waarbij punten kunnen worden gegeven op onderdelen van het werkgedrag (zoals: ijver, verantwoordelijkheidsgevoel, samenwerkingsgerichtheid, verzuim, werkweigering etc.). Een onderdeel van het puntensysteem kan zijn, dat er financiële bonussen gegeven kunnen worden.
Indien een verpleegde door het hoofd van de inrichting in dit verband als ongeschikt voor het verrichten van opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling is aangemerkt, hanteert de inrichting het volgende uitgangspunt: de verpleegde die op zichzelf bereid is opdrachten/werkzaamheden in het kader van de behandeling te verrichten krijgt - ongeacht de arbeidsinspanning ten aanzien van (eventueel) aangepaste opdrachten/werkzaamheden - een uitkering bestaande uit een bepaald deel, tenminste 70%, van hetgeen hij had kunnen verdienen (uitgezonderd eventuele financiële bonussen) in het geval van gehele geschiktheid.