BWBR0009756
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 5
Wet privatisering FVP
1. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving door de stichting van alle voorschriften en verplichtingen die op grond van deze wet ten aanzien van de stichting gelden.
2. De <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/152" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 152</a>, <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/153" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">153</a>, <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">163 tot en met 166a van de Pensioenwet</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De Nederlandsche Bank kan een aanwijzing geven aan het bestuur van de stichting indien:
a. de statuten van de stichting niet voldoen aan artikel 2, eerste en derde lid;
b. de naleving door de stichting, bedoeld in het eerste lid, alsmede de gang van zaken bij de stichting haar, hetzij geheel, hetzij op bepaalde onderdelen, onbevredigend voorkomt.
4. Het bestuur van de stichting volgt een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn op.
5. Indien het bestuur van de stichting in gebreke blijft binnen de gestelde termijn gevolg te geven aan een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, stelt de Nederlandsche Bank, voorzover de aanwijzing geen betrekking heeft op de wijze waarop de stichting het beheer over haar middelen voert, Onze Minister hiervan in kennis.
6. Kennisgeving aan Onze Minister als bedoeld in het vijfde lid, vindt niet plaats alvorens de termijn voor het instellen van beroep tegen de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, is verstreken, dan wel nadat op het ingestelde beroep definitief is beslist.
2. De <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/152" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 152</a>, <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/153" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">153</a>, <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">163 tot en met 166a van de Pensioenwet</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De Nederlandsche Bank kan een aanwijzing geven aan het bestuur van de stichting indien:
a. de statuten van de stichting niet voldoen aan artikel 2, eerste en derde lid;
b. de naleving door de stichting, bedoeld in het eerste lid, alsmede de gang van zaken bij de stichting haar, hetzij geheel, hetzij op bepaalde onderdelen, onbevredigend voorkomt.
4. Het bestuur van de stichting volgt een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn op.
5. Indien het bestuur van de stichting in gebreke blijft binnen de gestelde termijn gevolg te geven aan een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, stelt de Nederlandsche Bank, voorzover de aanwijzing geen betrekking heeft op de wijze waarop de stichting het beheer over haar middelen voert, Onze Minister hiervan in kennis.
6. Kennisgeving aan Onze Minister als bedoeld in het vijfde lid, vindt niet plaats alvorens de termijn voor het instellen van beroep tegen de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, is verstreken, dan wel nadat op het ingestelde beroep definitief is beslist.