BWBR0009632
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 7
Besluit vangnetregeling huursubsidie
1. Voorschotverlening door Onze Minister aan burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, heeft zowel betrekking op de vergoeding van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en de voorschotten daarop als op de vergoeding van de uitvoeringskosten van de gemeente.
2. Een aanvraag tot het verlenen van een voorschot wordt ingediend na afloop van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
3. Het aanvragen van een voorschot vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
4. Burgemeester en wethouders verstrekken bij de aanvraag tot het verlenen van een voorschot de volgende gegevens:
a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorschotten op de vergoeding van de uitvoeringskosten;
b. het totaalbedrag aan betaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
c. de in de maand waarop de voorschotaanvraag betrekking heeft van de huurder terugontvangen bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
d. een verklaring van burgemeester en wethouders omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens.
5. Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:
a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205;
b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een voorschot kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.
6. Onze Minister onderzoekt of aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van een aanvraag om voorschotverlening over tot het betaalbaar stellen van het voorschot.
7. Indien niet aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, kan Onze Minister de voorschotverlening opschorten.
2. Een aanvraag tot het verlenen van een voorschot wordt ingediend na afloop van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
3. Het aanvragen van een voorschot vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
4. Burgemeester en wethouders verstrekken bij de aanvraag tot het verlenen van een voorschot de volgende gegevens:
a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorschotten op de vergoeding van de uitvoeringskosten;
b. het totaalbedrag aan betaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
c. de in de maand waarop de voorschotaanvraag betrekking heeft van de huurder terugontvangen bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
d. een verklaring van burgemeester en wethouders omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens.
5. Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:
a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205;
b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een voorschot kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.
6. Onze Minister onderzoekt of aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van een aanvraag om voorschotverlening over tot het betaalbaar stellen van het voorschot.
7. Indien niet aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, kan Onze Minister de voorschotverlening opschorten.