1. De einddeclaratie van de kosten, bedoeld in
artikel 26f, derde lid, van de wet, vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
2. Burgemeester en wethouders verstrekken bij de einddeclaratie de volgende gegevens:
a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de vergoeding van de uitvoeringskosten;
b. het totaalbedrag aan uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
c. het totaal aan betaalbaar gestelde voorschotbedragen, bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, over de maanden in het subsidiejaar onderverdeeld naar verstrekte bijzondere bijdrage in de huurlasten en naar de vergoeding van de uitvoeringskosten;
d. de ontvangsten van de van de huurder teruggevorderde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop in het betreffende subsidiejaar;
e. een uiteenzetting over het beleid dat de gemeente heeft gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijzondere bijdrage in de huurlasten;
f. indien de declaratie van uitbetaalde bijdragen en uitvoeringskosten van de gemeenten € 18 500 of meer bedraagt, de verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet.
3. De totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:
a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205;
b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een vergoeding kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.
4. Onze Minister vergoedt uitsluitend de kosten voorzover deze door een in het tweede lid, onder f, bedoelde verklaring met een goedkeurende strekking zijn gedekt.
5. Onze Minister onderzoekt of aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk acht weken na ontvangst van de einddeclaratie over tot vaststelling van de vergoeding van de kosten.
6. Indien niet aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, stelt Onze Minister burgemeester en wethouders in de gelegenheid om alsnog binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn aan de voorwaarden te voldoen. Onze Minister kan de vaststelling van de vergoeding opschorten tot uiterlijk acht weken na het verstrijken van deze termijn.