BWBR0009614
Geldig vanaf 1998-10-01
Artikel 4
Uitvoeringswet Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie
1. De centrale autoriteit verleent een houder van een vergunning op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie op diens verzoek machtiging om in een andere staat die partij is bij het verdrag, of in een bepaald gebiedsdeel van die staat, op te treden. De machtiging wordt slechts verleend indien een eensluidende machtiging van de bevoegde autoriteit van die andere staat is verkregen. De machtiging kan worden geweigerd indien reeds een of meer andere vergunninghouders gemachtigd zijn in die staat, of in het betrokken gebiedsdeel van die staat, op te treden.
2. Vergunninghouders aan wie de in het eerste lid bedoelde machtiging is verleend, treden op als vergunninghoudende instellingen in de zin van het verdrag.
2. Vergunninghouders aan wie de in het eerste lid bedoelde machtiging is verleend, treden op als vergunninghoudende instellingen in de zin van het verdrag.