BWBR0009491
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 5
Regeling voorwaarden voor het vervoer van dieren in luchtvaartuigen
1. De capaciteit van de klimaatregelinginstallatie in het luchtvaartuig moet zodanig zijn, dat voldoende verse lucht wordt aangevoerd en schadelijke dampen en gassen op doelmatige wijze worden afgevoerd.
2. De materialen, welke worden gebruikt voor het absorberen van uitscheidingsprodukten moeten naar aard en hoeveelheid voldoende absorberend vermogen hebben voor ten minste de duur van de vlucht zodat in principe geen schadelijke stoffen buiten de transportuitrusting kunnen treden.
3. In geval toch schadelijke stoffen buiten de transportuitrusting zijn gekomen, moeten deze stoffen onmiddellijk na de vlucht worden verwijderd.
4. Voor het reinigen van het interieur van het luchtvaartuig en de transportuitrusting moeten geen agressieve schoonmaakmiddelen worden gebruikt. Schoonmaak- en desinfectiemiddelen, alsmede deodorants mogen niet licht ontvlambaar zijn en niet schadelijk voor mens en dier. Uitsluitend toegelaten schoonmaak- en desinfectiemiddelen mogen worden gebruikt. Op de luchtvaartmaatschappij rust de verplichting tot reiniging en desinfectie van de transportuitrusting voordat deze opnieuw gebruikt mag worden.
5. Tijdens het groot onderhoud van een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor het vervoeren van dieren, moet extra aandacht worden besteed aan:
a. de klimaatregelingsinstallatie;
b. de afdichting van kajuitvloeren;
c. eventuele corrosie van stoelrails en van onder de vloeren gelegen constructiedelen.
6. Transportuitrusting, die als gevolg van schade of gebruik niet meer aan de voorgeschreven eisen voldoet, mag niet worden gebruikt.
2. De materialen, welke worden gebruikt voor het absorberen van uitscheidingsprodukten moeten naar aard en hoeveelheid voldoende absorberend vermogen hebben voor ten minste de duur van de vlucht zodat in principe geen schadelijke stoffen buiten de transportuitrusting kunnen treden.
3. In geval toch schadelijke stoffen buiten de transportuitrusting zijn gekomen, moeten deze stoffen onmiddellijk na de vlucht worden verwijderd.
4. Voor het reinigen van het interieur van het luchtvaartuig en de transportuitrusting moeten geen agressieve schoonmaakmiddelen worden gebruikt. Schoonmaak- en desinfectiemiddelen, alsmede deodorants mogen niet licht ontvlambaar zijn en niet schadelijk voor mens en dier. Uitsluitend toegelaten schoonmaak- en desinfectiemiddelen mogen worden gebruikt. Op de luchtvaartmaatschappij rust de verplichting tot reiniging en desinfectie van de transportuitrusting voordat deze opnieuw gebruikt mag worden.
5. Tijdens het groot onderhoud van een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor het vervoeren van dieren, moet extra aandacht worden besteed aan:
a. de klimaatregelingsinstallatie;
b. de afdichting van kajuitvloeren;
c. eventuele corrosie van stoelrails en van onder de vloeren gelegen constructiedelen.
6. Transportuitrusting, die als gevolg van schade of gebruik niet meer aan de voorgeschreven eisen voldoet, mag niet worden gebruikt.