BWBR0009491
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 4
Regeling voorwaarden voor het vervoer van dieren in luchtvaartuigen
1. Bij het vervoer van dieren moet ten minste één dierenbegeleider aan boord zijn, die aan de volgende eisen moet voldoen:
a. een opleiding hebben genoten volgens een leerplan waarmee is ingestemd door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst;
b. in de aan het vervoer voorafgaande 12 maanden met goed gevolg de cursus ‘Flight Safety’ van de luchtvaartmaatschappij hebben gevolgd;
2. De voor het vervoer gebruikte transportuitrusting moet zodanig in het luchtvaartuig geplaatst zijn, dat tijdens de vlucht:
a. de dierenbegeleider in staat is de dieren te bereiken;
b. voldoende nooduitgangen voor een veilige evacuatie van alle aanwezige personen beschikbaar zijn.
3. Bij het niet beschikbaar zijn van een dierenbegeleider kan een dierenarts vergezeld van een ladingmeester in diens plaats treden. In dat geval moet de ladingmeester voldoen aan het gestelde in het eerste lid onder b van dit artikel.
4. Tijdens de vlucht moet te allen tijde tweezijdige communicatie mogelijk zijn tussen het stuurhutpersoneel en de dierenbegeleider(s).
5. Tijdens de vlucht mogen behoudens het stuurhutpersoneel slechts die personen aan boord zijn, die betrokken zijn bij het dierenvervoer.
6. Voor iedere in het vorige lid genoemde persoon moet een passagiersstoel aanwezig zijn, alsmede de vereiste nooduitrusting.
7. De kajuitindeling behoeft de instemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat.
a. een opleiding hebben genoten volgens een leerplan waarmee is ingestemd door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst;
b. in de aan het vervoer voorafgaande 12 maanden met goed gevolg de cursus ‘Flight Safety’ van de luchtvaartmaatschappij hebben gevolgd;
2. De voor het vervoer gebruikte transportuitrusting moet zodanig in het luchtvaartuig geplaatst zijn, dat tijdens de vlucht:
a. de dierenbegeleider in staat is de dieren te bereiken;
b. voldoende nooduitgangen voor een veilige evacuatie van alle aanwezige personen beschikbaar zijn.
3. Bij het niet beschikbaar zijn van een dierenbegeleider kan een dierenarts vergezeld van een ladingmeester in diens plaats treden. In dat geval moet de ladingmeester voldoen aan het gestelde in het eerste lid onder b van dit artikel.
4. Tijdens de vlucht moet te allen tijde tweezijdige communicatie mogelijk zijn tussen het stuurhutpersoneel en de dierenbegeleider(s).
5. Tijdens de vlucht mogen behoudens het stuurhutpersoneel slechts die personen aan boord zijn, die betrokken zijn bij het dierenvervoer.
6. Voor iedere in het vorige lid genoemde persoon moet een passagiersstoel aanwezig zijn, alsmede de vereiste nooduitrusting.
7. De kajuitindeling behoeft de instemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat.