BWBR0009491
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 2
Regeling voorwaarden voor het vervoer van dieren in luchtvaartuigen
1. De voorbereiding en afhandeling van het vervoer moet mede gericht zijn op een zo kort mogelijk verblijf van de dieren aan boord van het luchtvaartuig.
2. Dieren worden beschouwd als vochtige lading. De voor het dierenvervoer te gebruiken transportuitrusting moet derhalve zodanig ontworpen zijn, dat het in contact komen van uitscheidingsprodukten en absorptiematerialen met de vliegtuigconstructie zo veel mogelijk wordt vermeden.
3. De gebruikte transportuitrusting moet zodanig ontworpen zijn, dat:
a. de dieren geen schade aan het luchtvaartuig respectievelijk letsel aan hun begeleider(s) kunnen toebrengen;
b. de dieren zichzelf geen letsel kunnen toebrengen;
c. de dieren niet kunnen losbreken;
d. voldoende ventilatie mogelijk is;
e. de dierenbegeleider in staat is de dieren te bereiken.
4. Voor het vervoer moet het totale aantal dieren in zodanig kleine, afzonderlijke omsloten groepen worden onderverdeeld, dat de bewegingsvrijheid van de dieren geen ontoelaatbare zwaartepuntverplaatsing van het luchtvaartuig kan veroorzaken.
2. Dieren worden beschouwd als vochtige lading. De voor het dierenvervoer te gebruiken transportuitrusting moet derhalve zodanig ontworpen zijn, dat het in contact komen van uitscheidingsprodukten en absorptiematerialen met de vliegtuigconstructie zo veel mogelijk wordt vermeden.
3. De gebruikte transportuitrusting moet zodanig ontworpen zijn, dat:
a. de dieren geen schade aan het luchtvaartuig respectievelijk letsel aan hun begeleider(s) kunnen toebrengen;
b. de dieren zichzelf geen letsel kunnen toebrengen;
c. de dieren niet kunnen losbreken;
d. voldoende ventilatie mogelijk is;
e. de dierenbegeleider in staat is de dieren te bereiken.
4. Voor het vervoer moet het totale aantal dieren in zodanig kleine, afzonderlijke omsloten groepen worden onderverdeeld, dat de bewegingsvrijheid van de dieren geen ontoelaatbare zwaartepuntverplaatsing van het luchtvaartuig kan veroorzaken.