BWBR0009386
Geldig vanaf 2004-12-15
Artikel 6.6:3
Arbeidstijdenbesluit vervoer
1. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd hebben van ten minste 10 uren.
2. De zeevarenden van 18 jaar of ouder hebben in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een onafgebroken rusttijd van 8 uren.
3. Uitsluitend bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het vierde lid, worden afgeweken van het tweede lid. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het tweede lid, is nietig.
4. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de onafgebroken rusttijd van 8 uren, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste 3 maal per week wordt ingekort tot ten minste 6 uren onafgebroken rusttijd.
5. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar en ouder in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een totale rusttijd hebben van ten minste 77 uren.
6. De in het eerste, tweede en vijfde lid, bedoelde periode van 24 uren wordt berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen.
2. De zeevarenden van 18 jaar of ouder hebben in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een onafgebroken rusttijd van 8 uren.
3. Uitsluitend bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het vierde lid, worden afgeweken van het tweede lid. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het tweede lid, is nietig.
4. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de onafgebroken rusttijd van 8 uren, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste 3 maal per week wordt ingekort tot ten minste 6 uren onafgebroken rusttijd.
5. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar en ouder in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een totale rusttijd hebben van ten minste 77 uren.
6. De in het eerste, tweede en vijfde lid, bedoelde periode van 24 uren wordt berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen.