Arbeidstijdenbesluit vervoer
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2
Wegvervoer
§ 2.1
Algemene bepalingen
Definities
Artikel 2.1:1
a. Onze Ministers: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. verordening (EG) nr. 561/2006: verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PbEU L 102);
c. verordening (EU) nr. 165/2014: verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60);
d. vrachtauto: vrachtauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen, alsmede een trekker als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
e. bus: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;
f. taxi: auto, als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 waarmee vervoer wordt verricht waarvoor een vergunning, als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van voornoemde wet, vereist is;
g. bijrijder: persoon die als functie heeft in een vrachtauto mee te rijden om de bestuurder daarvan behulpzaam te zijn en in voorkomende gevallen direct met het vervoer samenhangende werkzaamheden te verrichten;
h. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in verordening (EU) nr. 165/2014;
i. richtlijn 2002/15/EG: richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PbEG L 80);
j. AETR-verdrag: de op 1 juli 1970 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het Internationale vervoer over de weg (Trb. 1994, 123);
k. Handels- en Samenwerkingsovereenkomst: Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PbEU 2021, L 149).
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «bestuurder» en «week» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 4, onderdelen c en i, van verordening (EG) nr. 561/2006.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «tachograafkaart», «bestuurderskaart», «controlekaart», «bedrijfskaart» en «werkplaatskaart» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 2, onderdelen d, f en i tot en met k van verordening (EU) nr. 165/2014.
§ 2.2
Toepassingsgebied van de wet
Gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 2.2:1
Uitbreiding van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 2.2:2
§ 2.3
Toepasselijkheid van dit hoofdstuk
Toepasselijkheid op arbeid in of op motorrijtuigen
Artikel 2.3:1
a. Een vrachtauto, alsmede een losse trekker: 1° waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt; of
2° waarmee wegvervoer van goederen wordt verricht waarop Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is;
1° waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt; of
2° waarmee wegvervoer van goederen wordt verricht waarop Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is;
b. een bus;
c. een taxi, niet zijnde een ambulance.
Uitsluiting van de toepasselijkheid van dit hoofdstuk
Artikel 2.3:2
2. Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 2.7:4, niet van toepassing op arbeid, verricht door een jeugdige werknemer.
3. De artikelen 2.4:1, derde lid, 2.4:13, tweede tot en met vierde lid, 2.5:1, 2.5:3en 2.5:6zijn niet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, b, c, d, g, h, j, k, l, m, n en p, van verordening (EG) nr. 561/2006, en artikel 8, derde lid, onder a, b, c, d, g, h, i, j, k, l, en n, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
4. De artikelen 2.4:1, derde lid, 2.5:1, 2.5:3en 2.5:6zijn niet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel o, van verordening (EG) nr. 561/2006, en artikel 8, derde lid, onderdeel m, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst, voor zover het betreft voertuigen binnen hubfaciliteiten voor zover dit vervoer binnen een straal van 5 kilometer plaatsvindt.
5. Indien een voertuig en de bestuurder voldoen aan het gestelde in artikel 15, achtste lid, onderdelen a tot en met c, van het Reglement rijbewijzen, en dit voertuig elektrisch aangedreven is, zijn de artikelen 2.4:1, derde lid, 2.4:13, tweede tot en met vierde lid, 2.5:1, 2.5:3en 2.5:6niet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder f, van verordening (EG) nr. 561/2006.
Artikel 2.3:3
§ 2.4
Registratie
Verwerking van gegevens
Artikel 2.4:1
2. De werkgever en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, handelen in overeenstemming met artikel 33, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 165/2014, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 15, eerste en tweede lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
3. De bestuurder handelt in overeenstemming met artikel 6, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 4, vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
4. De werkgever en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, handelen in overeenstemming met artikel 10, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 7, vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
5. De werknemer bewaart de gegevens en bescheiden met betrekking tot de in artikel 4:3 van de wetneergelegde registratieverplichting die tijdens zijn werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.3:1zijn geregistreerd tot het tijdstip van deugdelijke overdracht aan de werkgever.
6. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld over de wijze van bewaren van de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden, en het overbrengen van de in het controleapparaat en op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens naar de vestiging van de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet.
Boordcomputer
Artikel 2.4:2
2. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld over de registratieverplichtingen die op de vervoerder en de bestuurder rusten indien de boordcomputer of het registratiemiddel buiten gebruik is en de gegevens die in dat geval aanwezig zijn in de taxi.
Dienstrooster
Artikel 2.4:3
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.4:1en 2.4:13en het verbod van artikel 2.4:4wordt nageleefd.
3. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inhoud, de invulling, de bekendmaking en de bewaring van het dienstrooster.
Controlemiddelen
Artikel 2.4:4
a. in of op controlemiddelen onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen te stellen, te doen stellen, of toe te laten dat zij daarin of daarop gesteld worden;
b. in of op controlemiddelen wijziging aan te brengen, te doen aanbrengen of toe te laten dat wijziging wordt aangebracht in vroeger daarin of daarop gestelde gegevens of aantekeningen, deze onleesbaar te maken, te doen maken of toe te laten dat zij onleesbaar gemaakt worden;
c. controlemiddelen geheel of ten dele zoek te maken of te doen zoekmaken, ondeugdelijk te maken of te doen maken, te vernietigen of te doen vernietigen, verborgen te houden of te doen verborgen houden, dan wel toe te laten dat deze zoekgemaakt, ondeugdelijk gemaakt, vernietigd of verborgen gehouden worden;
d. gebruik te maken van een controlemiddel waarop of waarin onjuiste aantekeningen zijn gesteld, waarop of waarin in de aantekeningen wijzigingen zijn aangebracht dan wel waarop of waarin aantekeningen onleesbaar zijn gemaakt;
e. een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart te gebruiken, met uitzondering van een bedrijfskaart van een werkgever die wordt gebruikt door zijn werknemer;
f. in het voertuig een voorziening aanwezig te hebben die voor misbruik als bedoeld in de onderdelen a tot en met e kan worden aangewend.
2. Dit artikel is niet van toepassing op de boordcomputer, bedoeld in artikel 2.4:2, eerste lid.
Aanwijzing autoriteiten
Artikel 2.4:5
2. De Dienst Wegverkeer is bevoegd inzake de artikelen 12 en 24 van verordening (EU) nr. 165/2014.
Aanvraag, verlening, weigering, intrekking of schorsing tachograafkaart
Artikel 2.4:6
a. de artikelen 25, derde lid, en 26, zevende lid, van verordening (EU) nr. 165/2014; of
b. artikel 9, vijfde lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
Geldigheidsduur tachograafkaart
Artikel 2.4:7
2. Een werkplaatskaart heeft een geldigheidsduur van 1 jaar.
Gebruik bestuurderskaart
Artikel 2.4:8
a. de artikelen 27, onderscheidenlijk 29, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 165/2014; of
b. de artikelen 4, onderscheidenlijk 8, vijfde lid, van deel b, afdeling 4, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
Gebruik werkplaatskaart
Artikel 2.4:9
Gebruik bedrijfskaart
Artikel 2.4:10
Vervanging tachograafkaart
Artikel 2.4:11
2. Een binnen de geldigheidsduur verloren, gestolen, defect geraakte of beschadigde bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart wordt vervangen door een vervangende kaart voor de resterende termijn van geldigheid.
3. De houder meldt verlies of diefstal van zijn bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Uitvoeringsregels
Artikel 2.4:12
a. de gronden voor goedkeuring, weigering, intrekking of schorsing van een model tachograafkaart;
b. het voor goedkeuring van een model tachograafkaart benodigde certificaat;
c. de geldigheid en de gronden van verlening, weigering, intrekking of schorsing van tachograafkaarten;
d. de aanvraag van tachograafkaarten en model tachograafkaarten, de beslistermijn op de aanvraag en de aan de behandeling van een aanvraag verbonden kosten alsmede over de afgifte van tachograafkaarten;
e. de wijze van melden en inleveren in geval van verloren, gestolen, defecte of beschadigde tachograafkaarten;
f. de wijze waarop een tachograafkaart of een controleapparaat wordt gebruikt;
g. de wijze van verwerking van de op een tachograafkaart of in een controleapparaat opgeslagen gegevens.
Nadere uitvoeringsregels
Artikel 2.4:13
2. Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, eerste lid, tweede alinea, 3, eerste lid, 22, eerste, vierde en vijfde lid, 23, eerste lid, 26, lid 7 bis, 27, 29, tweede lid, 32, eerste tot en met vierde lid, 33, eerste en tweede lid, 34, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 35, 36, eerste en tweede lid, 37, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van verordening (EU) nr. 165/2014.
3. Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, leeft de bestuurder het voorschrift van artikel 12, tweede volzin van verordening (EG) nr. 561/2006 na.
4. Voor zover het AETR-verdrag van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 10 van het AETR-verdrag.
5. Voor zover van toepassing, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen:
a. 3, 6, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 7, 8, tweede lid, 9, 10, eerste en tweede lid, en 11, van deel b, afdeling 4, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst; en
b. 3, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste en tweede lid, en 16, eerste en tweede lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
6. Voor zover van toepassing, leeft de bestuurder het voorschrift van artikel 8, tweede lid, derde volzin, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst na.
Aanwijzing autoriteiten
Artikel 2.4:14
Maatwerkregister
Artikel 2.4:15
§ 2.5
Arbeids- en rusttijden
Rusttijd
Artikel 2.5:1
2. De bestuurder die vervoer anders dan taxivervoer verricht, en de bijrijder handelen in overeenstemming met:
a. voor zover van toepassing, de artikelen 8 en 9 van verordening (EG) nr. 561/2006;
b. voor zover van toepassing, in overeenstemming met artikel 8 van het AETR-verdrag; of
c. voor zover van toepassing, artikel 6 van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
3. De werkgever handelt in overeenstemming met artikel 8, lid 8 bis, van verordening (EG) nr. 561/2006.
4. De werknemer die taxivervoer verricht, heeft:
a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren; en
b. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren.
5. Van het vierde lid kan, met inachtneming van het zesde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het vierde lid is nietig.
6. De werkgever organiseert de werkzaamheden zodanig, dat de werknemer die taxivervoer verricht:
a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren heeft, welke rusttijd tweemaal in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren; en
b. in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren een rusttijd van 72 uren heeft, welke mag worden gesplitst in perioden van ten minste 24 uren.
7. De in het vierde en zesde lid bedoelde periode begint op het eerste tijdstip van de dag waarop de arbeid van de werknemer aanvangt.
Arbeid op zondag
Artikel 2.5:2
Rijtijd
Artikel 2.5:3
a. voor zover van toepassing, artikel 6, eerste tot en met derde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006;
b. voor zover van toepassing, artikel 6 van het AETR-verdrag; of
c. voor zover van toepassing, artikel 4, eerste tot en met derde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
Arbeid in nachtdienst
Artikel 2.5:4
2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer die vervoer anders dan taxivervoer verricht:
a. ten hoogste 43 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst verricht, of
b. ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid verricht tussen 00.00 en 06.00 uur.
3. De werknemer die taxivervoer verricht, verricht:
a. ten hoogste 52 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken en 140 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst; of
b. ten hoogste 38 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid tussen 00.00 en 06.00 uur.
4. Van het derde lid kan slechts bij collectieve regeling en nadat de werknemer daarmee heeft ingestemd, worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig.
Arbeid in nachtdienst ten aanzien van vervoer waarop verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst van toepassing is
Artikel 2.5:4a
2. In plaats van artikel 5:8 van de wetwordt dit artikel toegepast.
3. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht die geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode tussen 01.00 en 05.00 uur, geldt dat zijn totale arbeidstijd niet meer bedraagt dan 10 uur in de periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van zijn arbeid.
4. Van het derde lid kan, met inachtneming van het vijfde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig.
5. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een dagelijkse arbeidstijd heeft die niet meer bedraagt dan 12 uur in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van zijn arbeid.
6. De persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, neemt een maximale dagelijkse arbeidstijd in acht overeenkomstig het vijfde lid.
Afwijkingen arbeid in nachtdienst
Artikel 2.5:5
a. vervoer van brood- en banketbakkerijproducten;
b. vervoer van goederen van en naar distributiecentra, terminals of luchthavens;
c. grensoverschrijdend vervoer van bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten, groente en fruit;
d. vervoer ten behoeve van het onderhoud en de aanleg van wegen en railverbindingen.
2. In afwijking van artikel 2.5:4, tweede lid, kan dit artikel worden toegepast indien de aard van het vervoer met zich brengt dat dit vervoer hoofdzakelijk gedurende de nacht plaatsvindt en dit door het op een andere wijze organiseren van het vervoer redelijkerwijs niet is te voorkomen.
3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer:
a. ten hoogste 52 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken en 140 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst verricht, of
b. ten hoogste 38 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid verricht tussen 00.00 en 06.00 uur.
Pauze
Artikel 2.5:6
2. De bestuurder op wie het eerste lid niet van toepassing is, handelt in overeenstemming met:
a. voor zover van toepassing, artikel 7 van verordening (EG) nr. 561/2006;
b. voor zover van toepassing, artikel 7 van het AETR-verdrag; of
c. voor zover van toepassing, artikel 5 van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
3. Behoudens het eerste en tweede lid en artikel 2.5:3, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat indien deze andere werkzaamheden dan rijden omvat dan wel mede omvat, de werknemer, voor zover hij vervoer verricht waarop verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingswerkingsovereenkomst van toepassing is:
a. geen arbeidstijd langer dan zes uren achtereen zonder pauze heeft;
b. ingeval de arbeidstijd zes uren of langer, doch niet meer dan negen uren bedraagt, een pauze van ten minste 30 minuten heeft, dan wel twee pauzes van elk ten minste 15 minuten;
c. ingeval de arbeidstijd meer dan negen uren bedraagt, een pauze van ten minste 45 minuten heeft, dan wel verschillende pauzes van elk ten minste 15 minuten.
4. De persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, neemt pauzes in acht overeenkomstig het derde lid.
Maximale wekelijkse arbeidstijd ten aanzien van vervoer waarop verordening (EG) nr. 561/2006 niet van toepassing is
Artikel 2.5:7
2. In plaats van artikel 5:7, tweede tot en met vierde lid, van de wetwordt dit artikel toegepast.
3. De werknemer die vervoer anders dan taxivervoer verricht, verricht in elke periode van 16 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid.
4. De werknemer die taxivervoer verricht, verricht ten hoogste:
a. 60 uren arbeid per week;
b. 12 uren arbeid per dienst; en
c. gemiddeld 48 uren arbeid per week in elke periode van 16 aaneengesloten weken.
5. Van het derde en vierde lid kan met inachtneming van het zesde lid slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
6. De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat de werknemer in elke periode van 26 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht.
Maximale wekelijkse arbeidstijd ten aanzien van vervoer waarop verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst van toepassing is
Artikel 2.5:8
2. In plaats van artikel 5:7, tweede tot en met vierde lid, van de wetwordt dit artikel toegepast.
3. De werknemer verricht ten hoogste 60 uren per week arbeid, met dien verstande dat hij gedurende een periode van 16 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht.
4. Van het derde lid kan met inachtneming van het vijfde lid slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig.
5. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer gedurende een periode van een week ten hoogste 60 uren arbeid verricht, met dien verstande dat hij gedurende een periode van 26 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht.
6. De persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, neemt een maximale wekelijkse arbeidstijd in acht overeenkomstig het vijfde lid.
Beschikbaarheid
Artikel 2.5:9
a. ten aanzien van de bestuurder de perioden waarin deze een voertuig begeleidt dat wordt vervoerd;
b. wachttijden ten gevolge van rijverboden;
c. ten aanzien van de bijrijder of een tweede bestuurder: de perioden die deze gedurende de rit naast de bestuurder of in een slaapcabine doorbrengt; en
d. ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, de perioden waarin deze niet ter beschikking van de klant staat en algemeen administratief werk verricht dat niet direct verband houdt met het ten behoeve van de klant verrichte vervoer.
2. Voor zover de verwachte duur voor de bestuurder van tevoren bekend is, dan wel bij regeling van Onze Ministers is vastgelegd, wordt voor de toepassing van de artikelen 2.5:4a, derde en vijfde lid, 2.5:6, derde lid, en 2.5:8, derde en vijfde lid, voor de bestuurder tevens niet als arbeidstijd aangemerkt de periode waarin deze voor eventuele oproepen beschikbaar moet zijn om een rit aan te vatten of te hervatten dan wel andere werkzaamheden moet uitvoeren.
§ 2.6
Vrijstellingen
Artikel 2.6:1
a. artikel 2.5:4, tweede lid;
b. de verplichting tot het installeren van een controlemiddel, voorzover dit niet in strijd is met verordening (EG) nr. 561/2006.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt niet verleend dan nadat de belanghebbende werkgevers of werkgeversorganisaties met volledige rechtsbevoegdheid en werknemersorganisaties met volledige rechtsbevoegdheid in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.
3. De werkgever en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, leven de aan de vrijstelling verbonden voorschriften na.
§ 2.7
Overige bepalingen
Jaagpremieverbod
Artikel 2.7:1
2. De werkgever handelt in overeenstemming met artikel 10, tweede en vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 7, tweede en vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
3. De bestuurder handelt in overeenstemming met artikel 20 van verordening (EG) nr. 561/2006.
Chauffeursvakbekwaamheid
Artikel 2.7:2
Aanwijzing autoriteiten
Artikel 2.7:3
Bijrijder
Artikel 2.7:4
2. Een jeugdige werknemer voldoet aan artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 561/2006 indien hij een opleiding volgt als bedoeld in artikel 156q, derde lid, van het Reglement rijbewijzen.
3. De werkgever ziet toe op het bezit van de in artikel 156q, derde lid, van het Reglement rijbewijzenbedoelde verklaring en het in dat lid bedoelde bewijs van inschrijving.
Hoofdstuk 3
Spoorvervoer
§ 3.1
Algemene bepalingen
Toepasselijkheid van het hoofdstuk
Artikel 3.1:1
§ 3.2
Registratie
Bewaren gegevens en bescheiden
Artikel 3.2:1
§ 3.3
Arbeids- en rusttijden
Dagelijkse rusttijd
Artikel 3.3:1
2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een dagelijkse onafgebroken rusttijd heeft van:
a. ten minste 12 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren indien de rusttijd in de normale woonplaats kan worden doorgebracht;
b. ten minste 8 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren indien de rusttijd niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht.
3. De rusttijd, bedoeld in het tweede lid, onder a, mag gedurende een periode van 7 maal 24 uren eenmaal worden ingekort tot ten minste 9 uren, mits de tijd waarmee deze rusttijd is ingekort, wordt toegevoegd aan de eerstvolgende rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht.
4. De rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht, wordt niet aanzienlijk ingekort indien deze wordt voorafgegaan en wordt gevolgd door een rusttijd die niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht.
5. De werknemer heeft na een dagelijkse onafgebroken rusttijd die niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht een dagelijkse onafgebroken rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht.
6. Bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het zevende lid, van het vijfde lid worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze wordt afgeweken van het vijfde lid, is nietig.
7. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer ten hoogste 2 achtereenvolgende dagelijkse onafgebroken rusttijden heeft die niet in de normale woonplaats kunnen worden doorgebracht.
8. De in het tweede lid bedoelde periode vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer een dienst als bedoeld in artikel 3.1:1verricht.
Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Artikel 3.3:2
2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren, waarin hij ten minste één dienst verricht als bedoeld in artikel 3.1:1, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren.
3. De in het tweede lid bedoelde periode vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer een dienst als bedoeld in artikel 3.1:1verricht.
4. In elke periode van 52 aaneengesloten weken waarin een werknemer ten minste 52 diensten als bedoeld in artikel 3.1:1verricht, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer 104 perioden heeft van ten minste 24 uren onafgebroken rusttijd.
5. De in het vierde lid bedoelde 104 perioden omvatten ten minste 24 aaneengesloten perioden van ten minste 60 uren, van welke 24 perioden ten minste 12 perioden de gehele zaterdag en de gehele zondag omvatten.
Pauze
Artikel 3.3:3
2. De werkgever organiseert de arbeid van de machinist zodanig, dat indien hij:
a. meer dan 6 uur arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten;
b. meer dan 8 uur arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten;
c. een gedeelte van de pauze, bedoeld onder a en b, wordt genoten tussen het derde en het zesde uur waarin arbeid wordt verricht.
3. Het tweede lid, onderdeel b en c, is niet van toepassing ingeval van aanwezigheid van twee dienstdoende machinisten in het spoorvoertuig.
4. De werkgever organiseert de arbeid van het overige personeel in of op het spoorvoertuig zodanig dat indien meer dan 6 uur per dienst arbeid wordt verricht, deze arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten.
Rijtijd
Artikel 3.3:4
a. ten hoogste 9 uren per dienst bedraagt, dan wel ten hoogste 8 uren indien er 3 of meer uren arbeid wordt verricht in de periode tussen 00.00 en 07.00 uur;
b. ten hoogste 80 uur bedraagt in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, waarin hij ten minste twee diensten verricht als bedoeld in artikel 3.1:1.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als rijtijd aangemerkt:
a. de duur van de ingeroosterde activiteit waarbij de machinist verantwoordelijk is voor het besturen van een locomotief, en
b. ingeroosterde onderbrekingen waarin de machinist verantwoordelijk blijft voor de locomotief.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als rijtijd aangemerkt de tijd die is voorzien voor het in- en uitschakelen van de locomotief.
Hoofdstuk 4
Luchtvaart
§ 4.1
Algemene bepalingen
Begrip boordpersoneel
Artikel 4.1:1
a. lid van het cockpitpersoneel: de werknemer van 18 jaar of ouder die aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden heeft te verrichten die van direct belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig tijdens de vlucht;
b. lid van het cabinepersoneel: de werknemer van 18 jaar of ouder die, niet zijnde lid van het cockpitpersoneel, aan boord van een luchtvaartuig enige werkzaamheden heeft te verrichten ten behoeve van de inzittenden dan wel als dierenbegeleider werkzaam is tijdens de vlucht;
c. lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en cabinepersoneel.
Begrippen vliegwerktijd, reservetijd, rusttijd, grondtijd en rustgelegenheid
Artikel 4.1:2
a. vliegwerktijd: de periode van het ogenblik af, waarop een lid van het boordpersoneel zich dient te melden voor de uitoefening van zijn functie tot het einde van zijn werkzaamheden;
b. werktijd: de som van de vliegwerktijd en de luchthavenreservetijd;
c. reservetijd: een periode waarin een lid van het boordpersoneel niet voor een vlucht is ingedeeld en niet verplicht is op de luchthaven aanwezig te zijn, maar wel beschikbaar dient te zijn voor het ontvangen van een opdracht tot het uitvoeren van enige verkeersvlucht;
d. luchthavenreservetijd: een periode waarin een lid van het boordpersoneel niet voor een vlucht is ingedeeld, maar wel verplicht is op de luchthaven aanwezig te zijn voor het ontvangen van een opdracht tot het uitvoeren van enige verkeersvlucht;
e. rusttijd: elke periode buiten de vliegwerktijd gedurende welke een lid van het boordpersoneel is ontheven van alle taken en opdrachten, en daarin de gelegenheid heeft om rust te genieten in een passende accommodatie;
f. grondtijd: elke periode van de vliegwerktijd die geen deel uitmaakt van een vlucht;
g. rustgelegenheid: de deugdelijke accommodatie aan boord van het luchtvaartuig, die het mogelijk maakt voor een lid van het boordpersoneel horizontale rust te genieten in een van de passagiers en hinderlijke vracht afgescheiden ruimte.
Begrippen vlieguren, vliegtijd, verkeersvlucht, rondvlucht en luchtarbeid
Artikel 4.1:3
a. vliegtijd: de periode van het ogenblik af dat de helikopter zich op eigen kracht voortbeweegt tot het ogenblik waarop de hefschroef of hefschroeven tot stilstand komt of komen;
b. verkeersvlucht: een vlucht die vervoer door een luchtvaartmaatschappij ten doel heeft;
c. rondvlucht: een verkeersvlucht welke aanvangt en eindigt op hetzelfde terrein en welke een tijdsduur heeft van ten hoogste 60 minuten;
d. luchtarbeid: werkzaamheden uitgevoerd door een lid van het boordpersoneel tijdens de vlucht, niet zijnde een verkeersvlucht.
Overige begrippen
Artikel 4.1:4
a. luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding;
b. luchtvaartuig: een luchtvaartuig als bedoeld in de Wet luchtvaart;
c. dag: een periode van 00.00 uur tot 24.00 uur Universal Time Coordinated voor vliegtuigen en van 00.00 uur tot 24.00 uur lokale tijd voor helikopters;
d. luchthaven: een terrein, dat is ingericht voor het opstijgen en het landen alsmede de daarmede verband houdende beweging op dat terrein van luchtvaartuigen.
Begrippen in § 4.5 Vlieg- en diensttijdbeperkingen en rusttijden voor vluchten die vallen onder EG-verordening 3922/91
Artikel 4.1:5
a. EG-verordening 3922/91: verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373);
b. vliegdienstperiode: een vliegdienstperiode (FDP) als bedoeld in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1095, onder 1.6;
c. Onze Ministers: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
§ 4.2
Toepassingsgebied van de wet
Gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 4.2:1
a. arbeid, verricht door een lid van het boordpersoneel van 18 jaar of ouder dat vluchten, niet zijnde verkeersvluchten maakt ten behoeve van het eigen bedrijf, of van de overheid;
b. luchtarbeid, verricht door een lid van het boordpersoneel van 18 jaar of ouder;
c. arbeid, verricht door een lid van het cabinepersoneel van 18 jaar of ouder van helikopters dat verkeersvluchten maakt;
d. arbeid, verricht door personen van 18 jaar of ouder aan boord van luchtvaartuigen, niet zijnde boordpersoneel.
Uitbreiding van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 4.2:2
§ 4.3
Toepasselijkheid van het hoofdstuk
Toepasselijkheid op arbeid aan boord van luchtvaartuigen
Artikel 4.3:1
§ 4.4
Registratie
Registratie
Artikel 4.4:1
2. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld omtrent de wijze van registratie.
Bewaartermijn
Artikel 4.4:2
§ 4.5
Vlieg- en diensttijdbeperkingen en rusttijden voor vluchten die vallen onder EG-verordening 3922/91
Artikel 4.5:1
Artikel 4.5:2
Artikel 4.5:3
Artikel 4.5:4
2. Bij regeling van Onze Ministers kan, met inachtneming van het bepaalde in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1110, onder 1.1 en 1.2, worden bepaald onder welke voorwaarden de rustregeling kan worden verkort.
Artikel 4.5:5
2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld aan het verlengen van de vliegdienstperiode van cabinepersoneel, met overschrijding van de limieten vermeld in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1105. Hierbij wordt ten minste rekening gehouden met het aantal uren genoten rust en de rustgelegenheid aan boord.
Artikel 4.5:6
a. de relatie tussen luchthavenparaatheid en de onmiddellijk daarop volgende vliegdienst;
b. de minimumrustperiode volgend op luchthavenparaatheid die niet wordt gevolgd door een vliegdienst;
c. de overige vormen van paraatheid.
§ 4.6
Arbeids-, rust en reservetijden cabinepersoneel vleugelvliegtuigen van verkeersvluchten met uitzondering van rondvluchten
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 4.6:1
Overeenkomstige van toepassingverklaring
Artikel 4.6:2
Vliegwerktijd en maximum gecorrigeerde vliegwerktijd
Artikel 4.6:3
Arbeidstijd, rusttijd en reservetijd
Artikel 4.6:4
Onverwachte opdrachten
Artikel 4.6:5
§ 4.7
Arbeids- en rusttijden boordpersoneel rondvluchten met helikopters
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 4.7:1
Arbeids- en rusttijden
Artikel 4.7:2
2. Deze regels worden ter instemming aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en aan Onze Minister voorgelegd.
3. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met de regels waarvoor Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister instemming hebben gegeven.
§ 4.8
Arbeids-, rust- en reservetijd cockpitpersoneel helikopters
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 4.8:1
Begrip landing
Artikel 4.8:2
1°. het doel: a. het embarkeren of debarkeren van passagier(s) dan wel bemanningslid(leden) al dan niet door middel van een hijsinstallatie;
b. het in- of uitladen van vracht;
c. het aan- of afhaken van een uitwendige lading;
d. het innemen van brandstof, voorzover de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, plaatsvinden met draaiende motoren(en), of
a. het embarkeren of debarkeren van passagier(s) dan wel bemanningslid(leden) al dan niet door middel van een hijsinstallatie;
b. het in- of uitladen van vracht;
c. het aan- of afhaken van een uitwendige lading;
d. het innemen van brandstof,
2°. het doel de vlucht te beëindigen door de rotor(en) tot stilstand te brengen of de motor(en) te stoppen.
Gelijkstelling met vliegwerktijd
Artikel 4.8:3
2. Als vliegwerktijd wordt tevens aangemerkt de tijdsduur van een door de werkgever gegeven opdracht, anders dan tot het als lid van het cockpitpersoneel maken van een vlucht.
3. Indien een opdracht als bedoeld in het tweede lid het maken van één of meer opeenvolgende vluchten als passagier of als niet-werkend bemanningslid inhoudt:
a. geldt als tijdsduur van deze opdracht de tijd vanaf het tijdstip van aanmelding voor de eerste vlucht tot 15 minuten na het beëindigen van de laatste vlucht,
b. zijn de normen bedoeld in artikel 4.8:6, eerste en tweede lid, en de correcties, bedoeld in de in bijlage G behorende bij dit besluit onder VII bedoelde verzwarende omstandigheden niet van toepassing,
c. is het toegestaan, meerdere malen achtereen een bekorte rust, als bedoeld in artikel 4.8:10, toe te passen, mits na afloop een rusttijd in acht wordt genomen, gelijk aan de normale minimum rust volgens artikel 4.8:9, vermeerderd met het totaal van de bekortingen van de voorafgaande rusten ten opzichte van de normale minimum rust.
Maximum vliegwerktijd
Artikel 4.8:4
a. verzwarende omstandigheden,
b. grondtijd zonder werkzaamheden, en
c. opdrachten anders dan opdrachten tot het als lid van het cockpitpersoneel maken van vluchten anders dan verkeersvluchten.
2. De in bijlage Gbehorende bij dit besluit in tabel G genoemde maxima zijn slechts van toepassing indien de uitvoering van de in artikel 4.8:3, tweede lid, bedoelde opdracht wordt gevolgd door een vliegwerktijd, waarin daadwerkelijk werkzaamheden als lid van het cockpitpersoneel ten behoeve van de uitvoering van een vlucht worden verricht, zonder dat deze zijn gescheiden door ten minste één rusttijd.
3. Ingevolge artikel 4.8:10, derde lid, wordt de tabel vastgesteld volgens welke het maximum van de vliegwerktijd wordt bepaald na een bekorte rust met inachtneming van de aan de bekorte rust voorafgegane vliegwerktijd.
4. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met derde lid.
Maximale werktijd en maximale vliegtijd
Artikel 4.8:5
2. In bijlage Hbehorend bij dit besluit wordt de reductie op de vliegtijd vastgesteld in verband met het aantal landingen binnen de vliegwerktijd, waarbij een landing tussen zonsondergang en zonsopgang wordt geteld als twee landingen.
3. Een aaneengesloten vliegtijd bedraagt ten hoogste 4 uren.
4. In afwijking van het derde lid wordt indien de geplande vliegtijd 4 tot 5 uur bedraagt, deze onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten.
5. Indien, in afwijking van het derde lid, de geplande vliegtijd meer dan 5 uren bedraagt, wordt deze onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten of door twee pauzes van elk ten minste 30 minuten. De pauzes worden zo veel mogelijk gelijkmatig over de vliegwerktijd verdeeld.
6. De maximum vliegtijd voor een lid van het cockpitpersoneel is:
a. 33 uren per aaneengesloten periode van 7 dagen;
b. 110 uren per maand;
c. 900 uren per jaar.
7. De werktijd bedraagt niet meer dan 2000 uur per jaar en wordt zo gelijk mogelijk over het kalenderjaar verspreid.
8. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met het zevende lid.
Aantal landingen
Artikel 4.8:6
2. In bijlage Ibehorend bij dit besluit wordt de tabel vastgesteld voor het maximum aantal landingen binnen één vliegwerktijd indien deze zowel landingen tussen zonsopgang en zonsondergang alsmede tussen zonsondergang en zonsopgang omvat.
3. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste en tweede lid.
Planning
Artikel 4.8:7
2. Artikel 4.5:9aen artikel 4.5:11zijn van overeenkomstige toepassing op het cockpitpersoneel van helikopters.
Reservetijd
Artikel 4.8:8
2. Indien de tijd gelegen tussen de oproep tot aanmelding en het aanmeldingstijdstip minder bedraagt dan 8 uren wordt de tijd gelegen tussen de aanvang van de reservetijd en het aanmeldingstijdstip als reservetijd beschouwd.
3. Indien de tijd gelegen tussen de oproep tot aanmelding en het aanmeldingstijdstip meer bedraagt dan 8 uren en het desbetreffende personeelslid wordt ontheven van de reserveverplichting dan wordt de tijd gelegen tussen de aanvang van de reservetijd en het tijdstip van oproep als reservetijd beschouwd.
4. Tussen verschillende reservetijden zit ten minste een periode van 8 uren.
5. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het tweede tot en met vierde lid.
Rusttijden
Artikel 4.8:9
2. Een lid van het cockpitpersoneel van helikopters heeft in elke aaneengesloten periode van 7 dagen een aaneengesloten rusttijd van ten minste 36 uren dan wel in elke aaneengesloten periode van 10 dagen een aaneengesloten rusttijd van ten minste 48 uren.
3. Indien in een aaneengesloten periode van 3 dagen de som van de vliegwerktijden meer dan 32 uren bedraagt, wordt één der tussenliggende normale minimum rusttijden genoten tussen 20.00 uur en 12.00 uur lokale tijd.
4. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met derde lid.
Bekorte rust
Artikel 4.8:10
2. Na een bekorte rust is de rusttijd na de vliegwerktijd, volgend op de bekorte rust, ten minste gelijk aan de normale minimum rusttijd, vermeerderd met de tijd waarmee de normale minimum rusttijd is bekort.
3. In bijlage Jbehorend bij dit besluit wordt de tabel vastgesteld volgens welke het maximum van de vliegwerktijd wordt bepaald na een bekorte rust met inachtneming van de aan de bekorte rust voorafgegane vliegwerktijd.
4. Een rusttijd van minder dan 8 uren geldt als grondtijd.
5. De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met vierde lid.
§ 4.9
Ontheffing
Artikel 4.9:1
a. traumateams voor spoedeisende medische hulpverlening, of
b. passagiers of vracht van of naar helikopterplatforms op mijnbouwinstallaties als bedoeld in artikel 1, onder o, van de Mijnbouwwet, of op schepen, gebruikt in het kader van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte.
2. De werkgever leeft de aan een ontheffing verbonden voorschriften na.
§ 4.10
Afwijkingen
Artikel 4.10:1
2. Zodra de situatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemer die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt.
Hoofdstuk 5
Binnenvaart
§ 5.1
Algemene bepalingen
Gelijkstelling met rusttijd
Artikel 5.1:2
2. In afwijking van het eerste lid worden niet als rusttijd aangemerkt de perioden waarin het bemanningslid niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en zich gereed houdt tot een onmiddellijke aanvang der werkzaamheden, en waarbij het tijdstip van de aanvang en de duur van deze perioden niet vooraf bekend is.
§ 5.2
Toepasselijkheid van de wet
Gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 5.2:1
Uitbreiding van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 5.2:2
§ 5.3
Toepasselijkheid van dit hoofdstuk
Toepasselijkheid voor schepen op binnenwateren
Artikel 5.3:1
2. In afwijking van het eerste lid en met uitsluiting van hetgeen in het Arbeidstijdenbesluitis bepaald, is paragraaf 6.6van overeenkomstige toepassing op arbeid, verricht door bemanningsleden aan boord van de in dat lid bedoelde schepen gedurende de tijd dat dit schip dienst doet in havensleepdienst als bedoeld in artikel 6.1:1, onderdeel b.
§ 5.4
Registratie
Artikel 5.4:1
a. voor een bemanningslid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, in het vaartijdenboek, overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 31 van het Binnenvaartbesluit;
b. voor het boordpersoneel bedoeld in clausule 2, onderdeel k, van de overeenkomst, op een door de werkgever te bepalen wijze.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing aan boord van veerboten en veerponten.
Artikel 5.4:2
Artikel 5.4:3
2. De registratie van de arbeidstijden en rusttijden van een bemanningslid dat werknemer is wordt uiterlijk aan het einde van de volgende maand gezamenlijk door de werkgever of zijn vertegenwoordiger en de werknemer gecontroleerd en bekrachtigd.
3. Het bemanningslid dat werknemer is ontvangt een kopie van de registratie van zijn arbeids- en rusttijden en bewaart deze ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens betrekking hebben.
§ 5.5
Arbeids- en rusttijden
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 5.5:1
Berekening rusttijden in geval van gedeeltelijke niet-toepasselijkheid van dit hoofdstuk tijdens onderbreking van de vaart
Artikel 5.5:2
Jeugdige bemanningsleden
Artikel 5.5:7
a. bij exploitatiewijzen A1 en A2 in elke periode van 24 uren een rusttijd geniet, die inclusief de in het vierde lid bedoelde pauze ten minste 16 uren bedraagt, waarvan ten minste 12 uren ononderbroken;
b. bij exploitatiewijze B in elke periode van 24 uren een rusttijd geniet, die inclusief de in het vierde lid bedoelde pauze ten minste 16 uren bedraagt, waarvan ten minste tweemaal 6 uren ononderbroken.
2. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid:
a. hetzij een wekelijkse rusttijd heeft van ten minste 2 dagen, waarin de zondag is begrepen;
b. hetzij een wekelijkse ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren, waarin de zondag is begrepen;
c. hetzij, ingeval van een reis van meer dan 5 dagen, in elke periode van 10 weken een ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 16 dagen.
3. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid tussen 22.00 uur en 06.00 uur, dan wel tussen 23.00 en 07.00 uur slechts arbeid verricht indien dit in het kader van de opleiding noodzakelijk is.
4. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid een pauze van ten minste 30 minuten heeft ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan vier en een half uur.
Hoofdstuk 6
Zeevaart
§ 6.1
Algemene bepalingen
Begrippen zeeschip, havensleepdienst en pleziervaartuig
Artikel 6.1:1
a. zeeschip: 1º. hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, uitgezonderd de zeeschepen, bedoeld in het derde lid van dat artikel, en in artikel 2 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen, alsmede
2º. de havensleepboot gedurende de tijd dat er in havensleepdienst dienst wordt gedaan.
1º. hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, uitgezonderd de zeeschepen, bedoeld in het derde lid van dat artikel, en in artikel 2 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen, alsmede
2º. de havensleepboot gedurende de tijd dat er in havensleepdienst dienst wordt gedaan.
b. havensleepdienst: het geheel van werkzaamheden en activiteiten ten behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing, inkomend van of uitgaand naar zee.
c. pleziervaartuig: een schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt.
Begrippen scheepsbeheerder, kapitein en zeevarende
Artikel 6.1:2
jeugdige zeevarende: zeevarende van 16 of 17 jaar;
kapitein: zeevarende die het gezag over een zeeschip voert;
scheepsbeheerder: scheepsbeheerder als bedoeld in de Wet bemanning zeeschepen;
zeevarende: zeevarende als bedoeld in de Wet bemanning zeeschepen, met dien verstande dat personen die op grond van artikel 2, zevende lid, van die wet zijn uitgezonderd, niet als zeevarende worden aangemerkt.
Begrip rusttijd
Artikel 6.1:3
§ 6.2
Toepassingsgebied van de wet
Gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 6.2:1
a. reddingsvaartuigen gedurende de tijd dat daarmee reddingswerkzaamheden worden verricht;
b. pleziervaartuigen die uitsluitend als zodanig worden gebezigd voor zover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren.
2. De paragrafen 4.1en 4.4en hoofdstuk 5 van de weten de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht door een scheepsarts.
Uitbreiding van de toepasselijkheid van de wet
Artikel 6.2:2
§ 6.3
Toepasselijkheid van het hoofdstuk
Toepasselijkheid op arbeid aan boord van zeeschepen
Artikel 6.3:1
2. In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op duikwerkzaamheden op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet.
Uitsluiting van de toepasselijkheid van het hoofdstuk
Artikel 6.3:2
§ 6.4
Algemene verplichtingen
Werkrooster
Artikel 6.4:1
2. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt een model voor een werkrooster vastgesteld. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van het werkrooster.
3. Het werkrooster bevat ten minste de gegevens opgenomen in het model bedoeld in het tweede lid, en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal.
Registratie
Artikel 6.4:2
2. De kapitein zorgt ervoor dat de werklijsten uiterlijk 8 weken na de vaststelling ervan ter beschikking van de scheepsbeheerder worden gesteld.
3. De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de werklijsten zorgvuldig worden bijgehouden.
4. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt een model vastgesteld voor een werklijst voor de registratie van arbeidstijden en rusttijden. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van de werklijst.
5. De werklijst bevat ten minste de gegevens opgenomen in het in het tweede lid bedoelde model en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal.
Bewaartermijn
Artikel 6.4:3
§ 6.5
Arbeids- en rusttijden
Toepasselijkheid van deze paragraaf
Artikel 6.5:1
Zeevarenden van 18 jaar en ouder
Artikel 6.5:2
2. De rusttijd kan worden verdeeld in niet meer dan twee perioden, waarvan één periode een onafgebroken rusttijd van ten minste 6 uren omvat. In dat geval wordt de periode van 24 uren, bedoeld in het eerste lid, berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen.
3. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder; ten minste 77 uren bedraagt in elke periode van 7 dagen.
Jeugdige zeevarenden
Artikel 6.5:3
a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht;
b. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd heeft van ten minste 12 uren, waarvan ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen 00.00 en 5.00 uur is begrepen;
c. per week ten hoogste 40 uren arbeid verricht;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren;
e. op zondag in beginsel geen arbeid verricht.
2. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de jeugdige zeevarende een pauze krijgt van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan 4,5 uur.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de jeugdige zeevarende:
a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren gedurende ten hoogste 12 uren arbeid verrichten indien hij uit hoofde van de wachtindeling gedurende die uren feitelijk wacht loopt;
b. arbeid verrichten tussen 00.00 en 05.00 uur indien dit in verband met zijn opleiding noodzakelijk is.
Pauze
Artikel 6.5:4
Consignatie
Artikel 6.5:5
2. De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van de artikelen 6.5:2, 6.5:3, uitgezonderd het eerste lid, onder a, b en c, en 6.5:4buiten beschouwing gelaten.
Oefeningen
Artikel 6.5:6
Afwijkingen
Artikel 6.5:7
2. Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de kapitein er voor dat de zeevarende die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt.
§ 6.6
Arbeids- en rusttijden zeeschepen in havensleepdienst
Toepasselijkheid van deze paragraaf
Artikel 6.6:1
Wekelijkse onafgebroken rusttijd zeevarenden van 18 jaar of ouder
Artikel 6.6:2
2. Uitsluitend bij collectieve regeling kan van het eerste lid worden afgeweken. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
3. De in het eerste lid bedoelde perioden vangen aan op het eerste tijdstip van de dag waarop de zeevarenden arbeid verrichten.
Dagelijkse rusttijd zeevarenden van 18 jaar of ouder
Artikel 6.6:3
2. De zeevarenden van 18 jaar of ouder hebben in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een onafgebroken rusttijd van 8 uren.
3. Uitsluitend bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het vierde lid, worden afgeweken van het tweede lid. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het tweede lid, is nietig.
4. De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de onafgebroken rusttijd van 8 uren, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste 3 maal per week wordt ingekort tot ten minste 6 uren onafgebroken rusttijd.
5. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar en ouder in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een totale rusttijd hebben van ten minste 77 uren.
6. De in het eerste, tweede en vijfde lid, bedoelde periode van 24 uren wordt berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen.
Arbeidstijd van zeevarenden van 18 jaar of ouder
Artikel 6.6:4
Jeugdige zeevarenden
Artikel 6.6:5
a. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren, waarin de zondag is begrepen;
b. in elke periode van 24 uren een rusttijd heeft van ten minste 12 uren, waarvan ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen hetzij 22.00 en 06.00 uur hetzij tussen 23.00 en 07.00 begrepen is.
2. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat een jeugdige zeevarende:
a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht;
b. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren ten hoogste 40 uren arbeid verricht.
3. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van een jeugdige zeevarende indien hij meer dan 4,5 uur arbeid verricht wordt afgewisseld door een pauze van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, mag een jeugdige zeevarende tussen 22.00 uur en 06.00 uur dan wel tussen 23.00 uur en 07.00 uur arbeid verrichten indien dit in het kader van de opleiding noodzakelijk is.
Consignatie
Artikel 6.6:6
2. De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van de artikelen 6.6:2, eerste liden 6.6:3, tweede en vierde lid, buiten beschouwing gelaten.
3. De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 4 achtereenvolgende weken:
a. ten minste 14 maal gedurende een periode van 24 achtereenvolgende uren geen consignatie worden opgelegd en
b. ten minste 2 maal gedurende een aaneengesloten periode van 48 uren geen arbeid verrichten noch consignatie worden opgelegd.
§ 6.7
Overige bepalingen
Verplichtingen van de scheepsbeheerder
Artikel 6.7:1
2. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen en gegevens die deze nodig heeft om aan de hem in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen te voldoen.
3. De scheepsbeheerder zorgt er voor dat aan boord de tekst van de wet en van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen en van de van toepassing zijnde collectieve regeling beschikbaar zijn.
Ontheffing
Artikel 6.7:2
2. De scheepsbeheerder en de kapitein leven de aan de ontheffing verbonden voorschriften na.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan regels stellen omtrent de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing moet worden ingediend en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt.
Hoofdstuk 6A
Zeevisserij
§ 6A.1
Algemene bepalingen
Begrippen
Artikel 6A.1:1
a. vissersvaartuig: een zeevissersschip als bedoeld in artikel 2, derde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
b. scheepsbeheerder: de natuurlijke of rechtspersoon die vanuit een vestiging in Nederland van een visserijonderneming de dagelijkse leiding heeft over het beheer van een vissersvaartuig;
c. schipper: de gezagvoerder van een vissersvaartuig;
d. visser: een zeevarende als bedoeld in artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen;
e. jeugdige visser: de visser van 16 of 17 jaar;
f. rusttijd: een periode van ten minste een uur waarin geen arbeid wordt verricht.
Gelijkstelling met rusttijd
Artikel 6A.1:2
2. In afwijking van het eerste lid worden niet als rusttijd aangemerkt de perioden waarin de visser, bedoeld in het eerste lid, niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en zich gereed houdt tot een onmiddellijke aanvang der werkzaamheden, en waarbij het tijdstip van de aanvang en de duur van deze perioden niet vooraf bekend is.
Toepasselijkheid van het hoofdstuk
Artikel 6A.1:3
Werkrooster
Artikel 6A.1:4
2. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een model worden vastgesteld voor een werkrooster. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van het werkrooster.
§ 6A.2
Arbeids- en rusttijden
Toepasselijkheid van deze paragraaf
Artikel 6A.2:1
Uitbreiding toepasselijkheid van deze paragraaf
Artikel 6a.2:1a
2. Artikel 6A.2:2, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de visser van 16 jaar en ouder die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van een vissersvaartuig dat langer dan drie dagen op zee blijft.
3. Artikel 6A.2:4, eerste lid, onder b en derde lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing op de jeugdige visser die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van een vissersvaartuig.
Rusttijd van vissers van 18 jaar of ouder
Artikel 6A.2:2
2. De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de rusttijd van de vissers wordt verdeeld in niet meer dan twee perioden, waarvan één periode een onafgebroken rusttijd van ten minste 6 uren omvat. In dat geval wordt de periode van 24 uren, bedoeld in het eerste lid, berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust bedraagt niet meer dan 14 uren.
3. De schipper organiseert de arbeid zodanig dat zijn rusttijd en die van de vissers van 18 jaar of ouder tenminste 77 uren bedraagt in elke periode van 7 dagen.
Maximale wekelijkse arbeidstijd
Artikel 6A.2:3
Jeugdige vissers
Artikel 6A.2:4
a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht;
b. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd heeft van ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen 00.00 en 5.00 uur is begrepen;
c. per week ten hoogste 40 uren arbeid verricht;
d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdsruimte van 7 maal 24 uren;
e. op zondag in beginsel geen arbeid verricht.
2. De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de jeugdige visser een pauze krijgt van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan 4,5 uur.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de jeugdige visser:
a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 12 uren arbeid verrichten indien hij uit hoofde van de wachtindeling gedurende die uren feitelijk wacht loopt;
b. arbeid verrichten tussen 00.00 en 5.00 uur indien dit in verband met zijn opleiding noodzakelijk is.
Pauze
Artikel 6A.2:5
Oefeningen
Artikel 6A.2:6
Afwijkingen
Artikel 6A.2:7
2. Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de schipper ervoor dat de visser die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt.
§ 6A.3
Overige bepalingen
Verplichtingen van de scheepsbeheerder
Artikel 6A.3:1
a. regelmatig voldoende lange rustperioden krijgen om hun veiligheid en gezondheid te waarborgen; en
b. geen arbeid verrichten in strijd met dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen.
2. De scheepsbeheerder verschaft de schipper de nodige middelen en gegevens die deze nodig heeft om aan de hem in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen te voldoen.
Vrijstelling en ontheffing
Artikel 6A.3:2
a. vrijstelling verlenen van artikel 6A.2:2, onder voorwaarden die zoveel mogelijk een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, onder andere door het toekennen van compenserende rusttijden;
b. ontheffing verlenen van artikel 6A.2:4, eerste lid, onderdelen a en b.
2. De scheepsbeheerder en de schipper leven de aan de ontheffing verbonden voorschriften na.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vrijstelling verlenen van artikel 6A.2:3.
Hoofdstuk 7
Registerloodsen
§ 7.1
Algemene bepaling
Begrippen registerloods, loodsen op afstand en week
Artikel 7.1:1
a. registerloods: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Loodsenwet;
b. loodsen op afstand: de functie-uitoefening, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet;
c. week: een periode van 7 dagen, die ingaat op maandag 00.00 uur.
§ 7.2
Toepasselijkheid van het hoofdstuk
Toepasselijkheid op registerloodsen
Artikel 7.2:1
Uitbreiding van de toepasselijkheid van het hoofdstuk
Artikel 7.2:2
§ 7.3
Arbeids- en rusttijden
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 7.3:1
Artikel 7.3:2
2. Indien de registerloods zijn arbeid verricht gedurende een periode van aaneengesloten dagen die meer of minder dan een week omvat, wordt het aantal uren gedurende welke hij in die periode ten hoogste arbeid mag verrichten naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
Artikel 7.3:3
2. Indien bijzondere omstandigheden met betrekking tot een loodsreis hiertoe noodzaken, mag de in het eerste lid bedoelde rusttijd naar evenredigheid over 2 dagen worden gehouden.
Artikel 7.3:4
Hoofdstuk 8
Overtredingen en daarmee samenhangende bepalingen
Overtredingen wegvervoer
Artikel 8:1
2. Behoudens de artikelen 2.4:4en 2.4:13, tweede tot en met zesde lid, wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren.
4. Het niet naleven van artikel 79, vierde lid, alsmede het bepaalde krachtens de artikelen 80, vierde lid, 83b, tweede lid, aanhef, en onderdeel c, in combinatie met het derde en vierde lid, en 83, achtste lid, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000, levert een overtreding op.
Overtredingen spoorvervoer
Artikel 8:2
Overtredingen luchtvaart
Artikel 8.3
Overtredingen zeevaart, havensleepdienst en zeevisserij
Artikel 8:4
2. Het niet naleven van de artikelen 6A.1:4, 6A.2:2, 6A.2:3. 6A.2:4, 6A.2:5, 6A.2:6, 6A.2:7, tweede lid, 6A.3:1en 6A.3:2, tweede lid, levert een overtreding op.
Overtredingen loodsen
Artikel 8:5
Vorderen van afgifte van een bestuurderskaart
Artikel 8:6
Hoofdstuk 9
Overgangs- en slotbepalingen
Inwerkingtreding
Artikel 9:1
Citeertitel
Artikel 9:2
Artikel 2.7:5
Artikel 2.7:6
Artikel 5.1:1
exploitatiewijze A1, exploitatiewijze A2 en exploitatiewijze B: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 18.01 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;
jeugdig bemanningslid: een bemanningslid van 16 of 17 jaar;
overeenkomst: Europese Overeenkomst betreffende de regeling van een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart, bedoeld in de bijlage bij Richtlijn 2014/112/EU van de Raad van 19 december 2014 tot uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart die op 15 februari 2012 is gesloten door de Europese Binnenvaartunie (EBU), de Europese Schippersorganisatie (ESO) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) (PbEU 2014, L 367);
rusttijd: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 18.02 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.
Artikel 5.5:3
2. De in het eerste lid bedoelde rusttijd is:
a. bij exploitatiewijze A1 ten minste 8 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren, en
b. bij exploitatiewijze A2 ten minste 6 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 6 uren.
3. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is en arbeid verricht bij exploitatiewijze B, een rusttijd heeft van ten minste 10 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, waarvan ten minste 6 uren ononderbroken, en 24 uren in een aaneengesloten periode van 48 uren, te rekenen vanaf het begin van een rusttijd van ten minste 6 uren.
4. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is een rusttijd heeft van ten minste 84 uren in elke periode van 7 dagen.
5. De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, dat geen werknemer is, rusttijden in acht neemt overeenkomstig de artikelen 18.02onderscheidenlijk 18.03 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.
Artikel 5.5:4
Artikel 5.5:5
a. 14 uren in elke periode van 24 uur,
b. 84 uren in elke periode van zeven dagen, en
c. gemiddeld 48 uren per week in elke periode van 52 weken, of, indien de contractperiode korter is dan 52 weken, gemiddeld 48 uren per week in de contractperiode.
2. Onverminderd onderdeel c, van het eerste lid verricht een bemanningslid dat werknemer is, wanneer er volgens het dienstrooster meer arbeidsdagen dan rustdagen zijn, ten hoogste arbeid gedurende gemiddeld 72 uren per week in elke periode van 16 weken.
Artikel 5.5:5a
Artikel 5.5:5b
2. De werkgever en de gezagvoerend schipper nemen bij de vaststelling van het aantal arbeids- en rustdagen van een bemanningslid dat werknemer is clausule 6 van de overeenkomst in acht.
3. Toepassing van dit artikel is slechts mogelijk bij collectieve regeling. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de vorige zin is nietig.
Artikel 5.5:5c
Artikel 5.5:6
2. Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de gezagvoerend schipper er voor dat het bemanningslid dat werknemer is en dat arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt.