BWBR0009339
Geldig vanaf 1998-02-06
Artikel 3
Regeling stroefheid start- en landingsbanen
1. De mu-waarde van verharde start- en landingsbanen wordt gemeten:
a. over een zo groot mogelijke lengte van de start- en landingsbaan;
b. in beide baanrichtingen rechts van de hartlijn;
c. in het spoor op 3 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn van de baan;
d. bij een constante snelheid van 65 en 95 km/uur;
e. niet tijdens of vlak na regenval;
f. met een waterlaagdikte van 1 mm voor de meetband.
2. Een referentiemeting wordt uitgevoerd op een onbereden gedeelte van de baan in één richting op 10 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn.
3. Op banen die gebruikt worden door wide-body vliegtuigen, vinden de metingen tevens plaats in een spoor op 5 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn.
4. De meetwijze en de meetfrequentie van de mu-waarde behoeft vooraf de vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat indien deze afwijkt van de vorige leden en van artikel 2, eerste lid.
a. over een zo groot mogelijke lengte van de start- en landingsbaan;
b. in beide baanrichtingen rechts van de hartlijn;
c. in het spoor op 3 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn van de baan;
d. bij een constante snelheid van 65 en 95 km/uur;
e. niet tijdens of vlak na regenval;
f. met een waterlaagdikte van 1 mm voor de meetband.
2. Een referentiemeting wordt uitgevoerd op een onbereden gedeelte van de baan in één richting op 10 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn.
3. Op banen die gebruikt worden door wide-body vliegtuigen, vinden de metingen tevens plaats in een spoor op 5 meter afstand van en evenwijdig aan de hartlijn.
4. De meetwijze en de meetfrequentie van de mu-waarde behoeft vooraf de vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat indien deze afwijkt van de vorige leden en van artikel 2, eerste lid.