1. De overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de OOW, of de gewezen overheidswerknemer, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 meer dan één arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet, maar wiens recht op een uitkering ingevolge de
WAOmet ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 nog niet met toepassing van de artikelen 2tot en met 9is vastgesteld, heeft met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 tot het moment waarop dat recht daadwerkelijk met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van aanvang van fase 1 is vastgesteld doch uiterlijk tot 1 januari 1999, recht op meer dan één uitkering ingevolge de
WAOmet inachtneming van dit artikel.
2. Voorzover één of meer van de in het eerste lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 geen uitkering ingevolge de
WAOis, wordt elk van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op die dag aangemerkt als een uitkering ingevolge de
WAO. De hoogte en duur van de betreffende uitkering ingevolge de
WAOis gelijk aan de hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die gold op de dag voorafgaande aan dat tijdstip.
3. Zo nodig in afwijking van
artikel 34, eerste lid, van de WAO, of artikel 36, tweede lid, van die wet, eindigt de termijn, bedoeld in
artikel 34, eerste lid, van de WAO, van de in het tweede lid als uitkering ingevolge de
WAOaangemerkte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1.
4. De overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht de in
artikel 34 van de WAObedoelde aanvraag voor voortzetting van de in het tweede lid als uitkering ingevolge de
WAOaangemerkte arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdig te hebben ingediend.
5. De in het tweede lid als uitkering ingevolge de
WAOaangemerkte arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede de uitvoering daarvan worden vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 bekostigd ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
6. De uitvoering van de in het eerste lid bedoelde uitkeringen ingevolge de
WAOblijft met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 tot het moment waarop dat recht daadwerkelijk met terugwerkende kracht is vastgesteld doch uiterlijk tot een jaar na bedoeld tijdstip, berusten bij de uitvoeringsinstellingen die met de uitvoering van de betreffende arbeidsongeschiktheidsuitkering belast waren op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1. Uiterlijk de dag voorafgaande aan de datum, waarop een jaar is verstreken na bedoeld tijdstip draagt de uitvoeringsinstelling de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde uitkeringen ingevolge de
WAOdie niet de in het tweede lid als uitkeringen ingevolge de
WAOaangemerkte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn, over aan de uitvoeringsinstelling, bedoeld in artikel 9.
7. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan besluiten dat de in het eerste lid bedoelde uitkeringen ingevolge de
WAO, wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd of wegens overlijden worden beëindigd zonder dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 2tot en met 8.
8. Ingeval van een overdracht als bedoeld in het zesde lid, stelt de uitvoeringsinstelling, bedoeld in artikel 9, meteen, aan de hand van de artikelen 2tot en met 8, het recht op uitkering ingevolge de
WAOvast met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van aanvang van fase 1.
9. Het op grond van dit artikel betaalde bedrag aan uitkeringen wordt verrekend met het bedrag van de op basis van de ingevolge de artikelen 2tot en met 8toe te kennen uitkering op grond van de
WAOover de betreffende periode. Indien bij de vaststelling van het recht op die uitkering ingevolge de
WAOblijkt dat bedoeld bedrag aan uitkeringen het bedrag van de uitkering ingevolge de
WAOovertreft, wordt het teveel betaalde niet teruggevorderd, behoudens in het geval zulks voortvloeit uit het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 25 of 28 van de
WAO.