BWBR0009152
Geldig vanaf 2009-11-25
Artikel 4
Bewapeningsregeling politie
1. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd merk en type;
b. de pepperspray.
2. Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in een der rangen, bedoeld in artikel 2a, onderdeel c, van het Besluit rangen politie, omvat zijn bewapening tevens het pistool. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is toegestaan indien de Minister daarvoor, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming heeft verleend.
3. Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door de korpsbeheerder.
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd merk en type;
b. de pepperspray.
2. Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in een der rangen, bedoeld in artikel 2a, onderdeel c, van het Besluit rangen politie, omvat zijn bewapening tevens het pistool. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is toegestaan indien de Minister daarvoor, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming heeft verleend.
3. Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door de korpsbeheerder.