BWBR0009113
Geldig vanaf 1998-01-24
Artikel 18
IJkregeling vloeistofhoogtemeters
1. Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn opgesteld, dat de hoogten van alle niveaustanden in het meetreservoir die redelijkerwijs moeten kunnen worden gemeten, kunnen worden aangewezen.
2. Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.
3. Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.
2. Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.
3. Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.