BWBR0008977
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 7
Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie
1. In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt, indien het in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen het moment waarop de arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd en het ontslag. Deze vermindering wordt ten eerste toegepast op de in onderdeel a van het derde lid van artikel 6genoemde periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
2. Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt de in onderdeel a en b van dat lid genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop het recht op suppletie op grond van artikel 2, derde lid, is toegekend. Deze vermindering wordt ten eerste toegepast op de in onderdeel a van het derde lid van artikel 6genoemde periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
4. In afwijking van artikel 6, derde lid, worden de in dat lid genoemde percentages verhoogd tot 90,02% ingeval van toekenning van suppletie aan een betrokkene als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° , 3° en 4°, bij arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0011955" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kaderwet militaire pensioenen</a>vastgestelde bepalingen.
2. Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt de in onderdeel a en b van dat lid genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop het recht op suppletie op grond van artikel 2, derde lid, is toegekend. Deze vermindering wordt ten eerste toegepast op de in onderdeel a van het derde lid van artikel 6genoemde periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
4. In afwijking van artikel 6, derde lid, worden de in dat lid genoemde percentages verhoogd tot 90,02% ingeval van toekenning van suppletie aan een betrokkene als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° , 3° en 4°, bij arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0011955" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kaderwet militaire pensioenen</a>vastgestelde bepalingen.