BWBR0008977
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 21
Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie
1. De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, op wie artikel III van het Besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 30 januari 1996 ( <em>Stb.</em>1996, 87) van toepassing was, en die op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog recht heeft op aanvullende uitkering op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel <em>a</em>en <em>b</em>, van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen, zoals dat besluit luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.
2. Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt genoten recht op aanvullende uitkering van:
[tabel]
3. De artikelen 3 tot en met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede de artikelen 12, derde lid, tot en met 16zijn van toepassing.
4. Artikel 6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal 261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt gold, de berekeningsgrondslag is voor de suppletie.
5. Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
6. Bij de bepaling van de periode waarover een aanvullende uitkering is ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.
2. Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt genoten recht op aanvullende uitkering van:
[tabel]
3. De artikelen 3 tot en met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede de artikelen 12, derde lid, tot en met 16zijn van toepassing.
4. Artikel 6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal 261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt gold, de berekeningsgrondslag is voor de suppletie.
5. Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
6. Bij de bepaling van de periode waarover een aanvullende uitkering is ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.