BWBR0008977
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 11
Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, wordt een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van de betrokkene over een tijdvak van drie maanden.
2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overleden betrokkene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overleden betrokkene;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overleden betrokkene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner dan wel de partner die is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
4. Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond van de <a href="/wet/BWBR0001888" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Ziektewet</a>dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de betrokkene recht had.
2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overleden betrokkene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overleden betrokkene;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overleden betrokkene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner dan wel de partner die is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
4. Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond van de <a href="/wet/BWBR0001888" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Ziektewet</a>dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de betrokkene recht had.