BWBR0008852
Geldig vanaf 1997-08-01
Artikel 5
Informatiestatuut Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit
1. De minister verzoekt het college om voorgenomen wet- en regelgeving en overige beleidsvoornemens, welke na invoering van invloed zijn of kunnen zijn op het functioneren van het college te toetsen op:
a. uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid;
b. gevolgen voor het college in termen van personeel, organisatie en financiën;
c. mogelijkheden om doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsvoornemen te vergroten.
2. De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in overleg met het college op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog van invloed kan zijn op de besluitvorming.
3. Indien de minister nalaat het college tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, kan het college uit eigen beweging een uitvoeringstoets uitvoeren. In dat geval informeert het college de minister over het voornemen daartoe.
4. Het college reageert binnen vier weken op de voornemens, tenzij de minister om spoedeisende redenen verzoekt om een reactie binnen een door hem aan te geven kortere termijn.
5. De minister reageert op de door het college toegezonden rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
6. Indien de aan het college voorgelegde beleidsvoornemens of voorgenomen wet- en regelgeving tussentijds wijzigen, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan het college. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
a. uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid;
b. gevolgen voor het college in termen van personeel, organisatie en financiën;
c. mogelijkheden om doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleidsvoornemen te vergroten.
2. De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in overleg met het college op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog van invloed kan zijn op de besluitvorming.
3. Indien de minister nalaat het college tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, kan het college uit eigen beweging een uitvoeringstoets uitvoeren. In dat geval informeert het college de minister over het voornemen daartoe.
4. Het college reageert binnen vier weken op de voornemens, tenzij de minister om spoedeisende redenen verzoekt om een reactie binnen een door hem aan te geven kortere termijn.
5. De minister reageert op de door het college toegezonden rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
6. Indien de aan het college voorgelegde beleidsvoornemens of voorgenomen wet- en regelgeving tussentijds wijzigen, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan het college. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.