BWBR0008838
Geldig vanaf 1997-07-26
Artikel 7
Tijdelijke regeling steunmaatregelen financiële positie en financieel management bve-instellingen
1. De minister beslist op de aanvraag uiterlijk acht weken na ontvangst van het financieel ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel 6, derde en vierde lid.
2. De minister kan besluiten:
a. de aanvraag voor aanvullende middelen, onder door hem te stellen voorwaarden toe te wijzen ter hoogte van een door hem te bepalen bedrag;
b. de beslissing op de aanvraag aan te houden totdat door hem te bepalen aanvullende informatie is verstrekt of door hem te bepalen aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden;
c. de beslissing op de aanvraag aan te houden in verband met de relatie van de aanvraag met aanvragen van andere instellingen, of
d. de aanvraag af te wijzen.
3. De minister besluit op grond van de aanvraag, de beoordelingsprocedure en de adviezen, en betrekt daarbij in elk geval:
a. de vermogenspositie van de instelling, al dan niet gerelateerd aan de vermogenspositie van een of meer andere instellingen;
b. de omvang van het exploitatietekort van de instelling;
c. de inkomstenbronnen die de instelling van derden verwerft of zou kunnen verwerven;
d. voorzover daarvan sprake is, de negatieve beslissing omtrent aanvullende bijdragen voor huurinkomsten op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector;
e. het financieel management van de instelling, en
f. het financiële toekomstperspectief van de instelling.
4. De aanvraag wordt in elk geval afgewezen:
a. indien niet aan de voorwaarden van deze regeling is voldaan
b. indien niet, niet tijdig of niet volledig de vereiste documenten zijn aangeleverd;
c. indien het financieel ontwikkelingsplan in de periode waarop dit plan betrekking heeft, onvoldoende perspectief voor verbetering van de financiële positie van de instelling biedt, of
d. indien de exploitatietekorten van de instelling in belang-rijke mate zijn veroorzaakt door een negatieve beslissing op een aanvraag op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector.
2. De minister kan besluiten:
a. de aanvraag voor aanvullende middelen, onder door hem te stellen voorwaarden toe te wijzen ter hoogte van een door hem te bepalen bedrag;
b. de beslissing op de aanvraag aan te houden totdat door hem te bepalen aanvullende informatie is verstrekt of door hem te bepalen aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden;
c. de beslissing op de aanvraag aan te houden in verband met de relatie van de aanvraag met aanvragen van andere instellingen, of
d. de aanvraag af te wijzen.
3. De minister besluit op grond van de aanvraag, de beoordelingsprocedure en de adviezen, en betrekt daarbij in elk geval:
a. de vermogenspositie van de instelling, al dan niet gerelateerd aan de vermogenspositie van een of meer andere instellingen;
b. de omvang van het exploitatietekort van de instelling;
c. de inkomstenbronnen die de instelling van derden verwerft of zou kunnen verwerven;
d. voorzover daarvan sprake is, de negatieve beslissing omtrent aanvullende bijdragen voor huurinkomsten op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector;
e. het financieel management van de instelling, en
f. het financiële toekomstperspectief van de instelling.
4. De aanvraag wordt in elk geval afgewezen:
a. indien niet aan de voorwaarden van deze regeling is voldaan
b. indien niet, niet tijdig of niet volledig de vereiste documenten zijn aangeleverd;
c. indien het financieel ontwikkelingsplan in de periode waarop dit plan betrekking heeft, onvoldoende perspectief voor verbetering van de financiële positie van de instelling biedt, of
d. indien de exploitatietekorten van de instelling in belang-rijke mate zijn veroorzaakt door een negatieve beslissing op een aanvraag op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector.