BWBR0008838
Geldig vanaf 1997-07-26
Artikel 6
Tijdelijke regeling steunmaatregelen financiële positie en financieel management bve-instellingen
1. De minister besluit op grond van de aanvraag bedoeld in artikel 4, en gelet op de adviezen van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde personen of instanties en van de inspectie van het onderwijs:
a. de aanvraag verder in behandeling te nemen, of
b. de aanvraag niet verder in behandeling te nemen en af te wijzen.
2. De minister besluit in elk geval de aanvraag niet verder in behandeling te nemen indien de exploitatietekorten in de periode 1994 tot en met 1996, naar zijn oordeel niet berusten op aanvaardbare bedrijfseconomische principes.
3. Indien de minister besluit de aanvraag verder in behandeling te nemen, verleent de instelling aan door of namens de minister aan te wijzen personen of instanties, gevraagd en ongevraagd, alle medewerking bij het opstellen door hen, in overleg met de instelling, van een financieel ontwikkelingsplan gericht op inventarisatie van de maatregelen die de instelling onderscheidenlijk de minister in de periode van 1 tot 2 jaar na vaststelling van het plan zal kunnen nemen ter verbetering van de financiële positie van de instelling.
4. Het bevoegd gezag van de instelling zendt het door hem goedgekeurde financieel ontwikkelingsplan uiterlijk 4 weken nadat dit is opgesteld aan de minister.
a. de aanvraag verder in behandeling te nemen, of
b. de aanvraag niet verder in behandeling te nemen en af te wijzen.
2. De minister besluit in elk geval de aanvraag niet verder in behandeling te nemen indien de exploitatietekorten in de periode 1994 tot en met 1996, naar zijn oordeel niet berusten op aanvaardbare bedrijfseconomische principes.
3. Indien de minister besluit de aanvraag verder in behandeling te nemen, verleent de instelling aan door of namens de minister aan te wijzen personen of instanties, gevraagd en ongevraagd, alle medewerking bij het opstellen door hen, in overleg met de instelling, van een financieel ontwikkelingsplan gericht op inventarisatie van de maatregelen die de instelling onderscheidenlijk de minister in de periode van 1 tot 2 jaar na vaststelling van het plan zal kunnen nemen ter verbetering van de financiële positie van de instelling.
4. Het bevoegd gezag van de instelling zendt het door hem goedgekeurde financieel ontwikkelingsplan uiterlijk 4 weken nadat dit is opgesteld aan de minister.