BWBR0008699
Geldig vanaf 1997-06-13
Artikel 8
Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds
1. De uitkering, bedoeld in artikel 4, wordt vermeerderd voor elke gemeente die op 1 januari 1997 verplichtingen heeft voortvloeiend uit door het Rijk goedgekeurde leningen ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs die gelet op hun specifieke karakter geen onderdeel uitmaken van de historische vergoeding, bestaande uit:
a. de vergoeding voor een lening, samengesteld uit leningen ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs, waarin de relatie met de specifieke huisvestingsvoorziening niet eenduidig kan worden vastgesteld;
b. de vergoeding voor een lening ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs die blijkens een door het Rijk afgegeven beschikking op 1 januari 1997 aan het onderwijs zijn onttrokken;
c. de vergoeding voortvloeiend uit door het Rijk goedgekeurd langcyclisch onderhoud ten behoeve van voormalige rijksscholen.
2. De vermeerdering, bedoeld in het eerste lid, komt gedurende de jaren 1997 tot en met uiterlijk 2001 overeen met het bedrag dat in de betreffende jaren door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zou zijn verstrekt, uitgaande van de toestand op 1 juli 1996.
3. Indien de vervaldatum van de lening, bedoeld in het eerste lid onder aen b, ligt na 31 december 2001, wordt voor elk van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000 en 2001 de vermeerdering, bedoeld in de voorafgaande leden, verhoogd met 20% van het nog niet afgeloste deel van de lening per ultimo 2001.
4. Het nog niet afgeloste deel van de lening, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld op het product van het nog niet afgeloste deel van de lening per ultimo 1996 en het quotiënt van het aantal jaren van 2002 tot en met het jaar waarin de vervaldatum ligt en het aantal jaren van 1997 tot en met het jaar waarin de vervaldatum ligt.
5. Indien de vergoeding, bedoeld in het eerste lid onder c, bij ongewijzigd beleid zou worden verstrekt tot en met 2002, wordt de vermeerdering voor het jaar 2001 tevens verhoogd met het bedrag van de vergoeding voor 2002.
a. de vergoeding voor een lening, samengesteld uit leningen ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs, waarin de relatie met de specifieke huisvestingsvoorziening niet eenduidig kan worden vastgesteld;
b. de vergoeding voor een lening ten behoeve van huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs die blijkens een door het Rijk afgegeven beschikking op 1 januari 1997 aan het onderwijs zijn onttrokken;
c. de vergoeding voortvloeiend uit door het Rijk goedgekeurd langcyclisch onderhoud ten behoeve van voormalige rijksscholen.
2. De vermeerdering, bedoeld in het eerste lid, komt gedurende de jaren 1997 tot en met uiterlijk 2001 overeen met het bedrag dat in de betreffende jaren door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zou zijn verstrekt, uitgaande van de toestand op 1 juli 1996.
3. Indien de vervaldatum van de lening, bedoeld in het eerste lid onder aen b, ligt na 31 december 2001, wordt voor elk van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000 en 2001 de vermeerdering, bedoeld in de voorafgaande leden, verhoogd met 20% van het nog niet afgeloste deel van de lening per ultimo 2001.
4. Het nog niet afgeloste deel van de lening, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld op het product van het nog niet afgeloste deel van de lening per ultimo 1996 en het quotiënt van het aantal jaren van 2002 tot en met het jaar waarin de vervaldatum ligt en het aantal jaren van 1997 tot en met het jaar waarin de vervaldatum ligt.
5. Indien de vergoeding, bedoeld in het eerste lid onder c, bij ongewijzigd beleid zou worden verstrekt tot en met 2002, wordt de vermeerdering voor het jaar 2001 tevens verhoogd met het bedrag van de vergoeding voor 2002.