BWBR0008699
Geldig vanaf 1997-06-13
Artikel 3
Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds
1. De gemeentefondsopbrengst van een gemeente is de som van de producten die worden verkregen door voor iedere verdeelmaatstaf het aantal eenheden van de maatstaf dat voor de gemeente wordt vastgesteld te vermenigvuldigen met het bij de maatstaf behorende bedrag per eenheid.
2. Ten behoeve van de vaststelling van de opbrengst, bedoeld in het eerste lid, worden de verdeelmaatstaven uit bijlage 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingsweten de bij de maatstaven behorende bedragen per eenheid gehanteerd die zijn opgenomen in de navolgende tabel, met dien verstande dat in maatstaf 14 het aantal leerlingen dat het onderwijs, bedoeld onder 1, 2 en 3 volgt, wordt vermenigvuldigd met 1,97, 3,44 onderscheidenlijk 0,73:
[tabel]
3. Onze Ministers stellen het aantal eenheden per maatstaf vast naar de stand van zaken en het inzicht per 1 juli 1996. Voor de maatstaven 3, 6, 11, 12 en 13 en voor het element woonruimten van maatstaf 27 is dat het aantal eenheden dat is gehanteerd bij de vaststelling van de overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling, bedoeld in bijlage 1 bij de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, gecorrigeerd voor wijzigingen in de gemeentelijke indeling per 1 januari 1996 en afgerond op gehele getallen; voor maatstaf 14 het aantal eenheden conform de leerlingtelling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van september/oktober 1995; voor maatstaf 15 het aantal eenheden conform de opgave van het Ministerie van Financiën voor de algemene uitkering 1996, betaalmaand juli 1996; en voor het element gemiddelde omgevingsadressendichtheid van maatstaf 27 het aantal eenheden conform de opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek, naar de stand per 1 januari 1996.
2. Ten behoeve van de vaststelling van de opbrengst, bedoeld in het eerste lid, worden de verdeelmaatstaven uit bijlage 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingsweten de bij de maatstaven behorende bedragen per eenheid gehanteerd die zijn opgenomen in de navolgende tabel, met dien verstande dat in maatstaf 14 het aantal leerlingen dat het onderwijs, bedoeld onder 1, 2 en 3 volgt, wordt vermenigvuldigd met 1,97, 3,44 onderscheidenlijk 0,73:
[tabel]
3. Onze Ministers stellen het aantal eenheden per maatstaf vast naar de stand van zaken en het inzicht per 1 juli 1996. Voor de maatstaven 3, 6, 11, 12 en 13 en voor het element woonruimten van maatstaf 27 is dat het aantal eenheden dat is gehanteerd bij de vaststelling van de overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling, bedoeld in bijlage 1 bij de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, gecorrigeerd voor wijzigingen in de gemeentelijke indeling per 1 januari 1996 en afgerond op gehele getallen; voor maatstaf 14 het aantal eenheden conform de leerlingtelling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van september/oktober 1995; voor maatstaf 15 het aantal eenheden conform de opgave van het Ministerie van Financiën voor de algemene uitkering 1996, betaalmaand juli 1996; en voor het element gemiddelde omgevingsadressendichtheid van maatstaf 27 het aantal eenheden conform de opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek, naar de stand per 1 januari 1996.