BWBR0008699
Geldig vanaf 1997-06-13
Artikel 2
Besluit integratie-uitkering huisvesting onderwijs en verrekening sportterreinen gemeentefonds
1. De historische vergoeding bestaat uit:
a. voorzover het betreft het basisonderwijs: – het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 90a, tweede lid, onder a en b, van de Wet op het basisonderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 32,10 onderscheidenlijk 15,47,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35 van de Overgangswet WBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 47d, eerste lid, 47e, eerste lid, en 47f, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 98, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 69, 70, 73 en 98, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs goedkeuring is verleend, voorzover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 98, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 49 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 100, eerste lid onder c en d, van de Wet op het basisonderwijs;
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 90a, tweede lid, onder a en b, van de Wet op het basisonderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 32,10 onderscheidenlijk 15,47,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35 van de Overgangswet WBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 47d, eerste lid, 47e, eerste lid, en 47f, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 98, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 69, 70, 73 en 98, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs goedkeuring is verleend, voorzover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 98, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 49 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 100, eerste lid onder c en d, van de Wet op het basisonderwijs;
b. voorzover het betreft het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs: – het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 12 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 88k, tweede lid, onder a en b, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 20,44 onderscheidenlijk 21,50,
– de vergoeding bedoeld in artikel E23 van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 39c, eerste lid, 39d, eerste lid, en 39e, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel 66 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35a van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 95, eerste en vierde tot en met zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 73, 77, 78, 81 en 95, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs goedkeuring is verleend, voor zover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 95, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 41 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder c en d, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 12 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 88k, tweede lid, onder a en b, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 20,44 onderscheidenlijk 21,50,
– de vergoeding bedoeld in artikel E23 van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 39c, eerste lid, 39d, eerste lid, en 39e, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel 66 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35a van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 95, eerste en vierde tot en met zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 73, 77, 78, 81 en 95, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs goedkeuring is verleend, voor zover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 95, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 41 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder c en d, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
c. voorzover het betreft het voortgezet onderwijs: – de vergoeding voor huur en erfpacht op grond van artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding, bedoeld in artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs wat blijvende voorzieningen in de huisvesting betreft en tijdelijke voorzieningen in de huisvesting, niet zijnde huur of erfpacht, die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting zou hebben geleid, alsmede de door het Rijk bij beschikking toegezegde of geraamde vergoeding voor een in het jaar 1997 of een later jaar te realiseren investering met dien verstande dat deze vergoeding wordt gesteld op het jaarbedrag behorende bij een 30-jarige annuïtaire, achteraf vervallende lening met een rentepercentage van 7, over de goedgekeurde kosten, verminderd met de reeds tot 1 januari 1997 betaalde kosten,
– de vergoeding voor 1996, bedoeld in de artikelen 28, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 60, 68, 76, 83, 93 en 97 van de Overgangswet W.V.O. die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding op grond van artikel 3, van de Tijdelijke wet medefinanciering onderwijsgebouwen v.o./b.b.o., voorzover het betreft de vergoeding ten behoeve van het voortgezet onderwijs, die in het jaar 1996 tot een uitkering van het Rijk heeft geleid,
– de vergoeding voor het jaar 1996 op grond van de artikelen XII en XIII van de Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de herziening van het bekostigingsstelsel voor scholen voor v.w.o., a.v.o., l.b.o. en m.b.o. (Stb. 1992, 112), voorzover deze ziet op de vergoeding bedoeld in de artikelen 3, vijfde lid, en 4, eerste lid, van het Besluit kostenvergoeding tijdelijke voorzieningen in gebouwen of terreinen WVO, zoals luidend op 31 juli 1992, voorzover die in het jaar 1997 tot een uitkering van het Rijk zou hebben geleid,
– een bedrag in verband met de kosten van de onroerende-zaakbelastingen, zijnde f 45,36 per in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerling in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995, en
– een bedrag in verband met de kosten van verzekeringen, dat voor een gemeente wordt verkregen door f 25 miljoen te verdelen over de gemeenten naar rato van het aantal in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerlingen in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995.
– de vergoeding voor huur en erfpacht op grond van artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding, bedoeld in artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs wat blijvende voorzieningen in de huisvesting betreft en tijdelijke voorzieningen in de huisvesting, niet zijnde huur of erfpacht, die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting zou hebben geleid, alsmede de door het Rijk bij beschikking toegezegde of geraamde vergoeding voor een in het jaar 1997 of een later jaar te realiseren investering met dien verstande dat deze vergoeding wordt gesteld op het jaarbedrag behorende bij een 30-jarige annuïtaire, achteraf vervallende lening met een rentepercentage van 7, over de goedgekeurde kosten, verminderd met de reeds tot 1 januari 1997 betaalde kosten,
– de vergoeding voor 1996, bedoeld in de artikelen 28, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 60, 68, 76, 83, 93 en 97 van de Overgangswet W.V.O. die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding op grond van artikel 3, van de Tijdelijke wet medefinanciering onderwijsgebouwen v.o./b.b.o., voorzover het betreft de vergoeding ten behoeve van het voortgezet onderwijs, die in het jaar 1996 tot een uitkering van het Rijk heeft geleid,
– de vergoeding voor het jaar 1996 op grond van de artikelen XII en XIII van de Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de herziening van het bekostigingsstelsel voor scholen voor v.w.o., a.v.o., l.b.o. en m.b.o. (Stb. 1992, 112), voorzover deze ziet op de vergoeding bedoeld in de artikelen 3, vijfde lid, en 4, eerste lid, van het Besluit kostenvergoeding tijdelijke voorzieningen in gebouwen of terreinen WVO, zoals luidend op 31 juli 1992, voorzover die in het jaar 1997 tot een uitkering van het Rijk zou hebben geleid,
– een bedrag in verband met de kosten van de onroerende-zaakbelastingen, zijnde f 45,36 per in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerling in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995, en
– een bedrag in verband met de kosten van verzekeringen, dat voor een gemeente wordt verkregen door f 25 miljoen te verdelen over de gemeenten naar rato van het aantal in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerlingen in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995.
2. Onze Ministers stellen de historische vergoeding per gemeente vast aan de hand van een opgave van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
a. voorzover het betreft het basisonderwijs: – het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 90a, tweede lid, onder a en b, van de Wet op het basisonderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 32,10 onderscheidenlijk 15,47,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35 van de Overgangswet WBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 47d, eerste lid, 47e, eerste lid, en 47f, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 98, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 69, 70, 73 en 98, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs goedkeuring is verleend, voorzover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 98, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 49 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 100, eerste lid onder c en d, van de Wet op het basisonderwijs;
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 90a, tweede lid, onder a en b, van de Wet op het basisonderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 32,10 onderscheidenlijk 15,47,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35 van de Overgangswet WBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 47d, eerste lid, 47e, eerste lid, en 47f, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 98, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 69, 70, 73 en 98, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs goedkeuring is verleend, voorzover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 98, vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 49 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 100, eerste lid onder c en d, van de Wet op het basisonderwijs;
b. voorzover het betreft het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs: – het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 12 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 88k, tweede lid, onder a en b, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 20,44 onderscheidenlijk 21,50,
– de vergoeding bedoeld in artikel E23 van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 39c, eerste lid, 39d, eerste lid, en 39e, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel 66 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35a van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 95, eerste en vierde tot en met zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 73, 77, 78, 81 en 95, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs goedkeuring is verleend, voor zover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 95, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 41 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder c en d, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 12 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, met dien verstande dat wat de onderdelen bedoeld in artikel 88k, tweede lid, onder a en b, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs betreft wordt uitgegaan van een percentage van 20,44 onderscheidenlijk 21,50,
– de vergoeding bedoeld in artikel E23 van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in de artikelen 39c, eerste lid, 39d, eerste lid, en 39e, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel 66 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de vergoeding bedoeld in artikel E35a van de Overgangswet ISOVSO waarop de gemeente over het jaar 1996 recht heeft,
– de jaarvergoeding bedoeld in artikel 95, eerste en vierde tot en met zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, voortvloeiende uit voorzieningen in de huisvesting waarvoor op basis van de artikelen 73, 77, 78, 81 en 95, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs goedkeuring is verleend, voor zover deze nog niet tot een vergoeding hebben geleid, met dien verstande dat de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de bedragen geldend voor het jaar waarin de beschikking is afgegeven en bij de vergoeding bedoeld in artikel 95, vijfde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs geen rekening wordt gehouden met vergoedingen ten behoeve van de kosten van schoolterreinen en
– het voorschot over het jaar 1996 bedoeld in artikel 41 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voor zover het betreft de vergoeding als bedoeld in artikel 97, eerste lid onder c en d, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
c. voorzover het betreft het voortgezet onderwijs: – de vergoeding voor huur en erfpacht op grond van artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding, bedoeld in artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs wat blijvende voorzieningen in de huisvesting betreft en tijdelijke voorzieningen in de huisvesting, niet zijnde huur of erfpacht, die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting zou hebben geleid, alsmede de door het Rijk bij beschikking toegezegde of geraamde vergoeding voor een in het jaar 1997 of een later jaar te realiseren investering met dien verstande dat deze vergoeding wordt gesteld op het jaarbedrag behorende bij een 30-jarige annuïtaire, achteraf vervallende lening met een rentepercentage van 7, over de goedgekeurde kosten, verminderd met de reeds tot 1 januari 1997 betaalde kosten,
– de vergoeding voor 1996, bedoeld in de artikelen 28, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 60, 68, 76, 83, 93 en 97 van de Overgangswet W.V.O. die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding op grond van artikel 3, van de Tijdelijke wet medefinanciering onderwijsgebouwen v.o./b.b.o., voorzover het betreft de vergoeding ten behoeve van het voortgezet onderwijs, die in het jaar 1996 tot een uitkering van het Rijk heeft geleid,
– de vergoeding voor het jaar 1996 op grond van de artikelen XII en XIII van de Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de herziening van het bekostigingsstelsel voor scholen voor v.w.o., a.v.o., l.b.o. en m.b.o. (Stb. 1992, 112), voorzover deze ziet op de vergoeding bedoeld in de artikelen 3, vijfde lid, en 4, eerste lid, van het Besluit kostenvergoeding tijdelijke voorzieningen in gebouwen of terreinen WVO, zoals luidend op 31 juli 1992, voorzover die in het jaar 1997 tot een uitkering van het Rijk zou hebben geleid,
– een bedrag in verband met de kosten van de onroerende-zaakbelastingen, zijnde f 45,36 per in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerling in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995, en
– een bedrag in verband met de kosten van verzekeringen, dat voor een gemeente wordt verkregen door f 25 miljoen te verdelen over de gemeenten naar rato van het aantal in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerlingen in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995.
– de vergoeding voor huur en erfpacht op grond van artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding, bedoeld in artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs wat blijvende voorzieningen in de huisvesting betreft en tijdelijke voorzieningen in de huisvesting, niet zijnde huur of erfpacht, die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting zou hebben geleid, alsmede de door het Rijk bij beschikking toegezegde of geraamde vergoeding voor een in het jaar 1997 of een later jaar te realiseren investering met dien verstande dat deze vergoeding wordt gesteld op het jaarbedrag behorende bij een 30-jarige annuïtaire, achteraf vervallende lening met een rentepercentage van 7, over de goedgekeurde kosten, verminderd met de reeds tot 1 januari 1997 betaalde kosten,
– de vergoeding voor 1996, bedoeld in de artikelen 28, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, 60, 68, 76, 83, 93 en 97 van de Overgangswet W.V.O. die in het jaar 1997 of een later jaar tot een verplichting van het Rijk zou hebben geleid,
– de vergoeding op grond van artikel 3, van de Tijdelijke wet medefinanciering onderwijsgebouwen v.o./b.b.o., voorzover het betreft de vergoeding ten behoeve van het voortgezet onderwijs, die in het jaar 1996 tot een uitkering van het Rijk heeft geleid,
– de vergoeding voor het jaar 1996 op grond van de artikelen XII en XIII van de Wet van 27 februari 1992, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de herziening van het bekostigingsstelsel voor scholen voor v.w.o., a.v.o., l.b.o. en m.b.o. (Stb. 1992, 112), voorzover deze ziet op de vergoeding bedoeld in de artikelen 3, vijfde lid, en 4, eerste lid, van het Besluit kostenvergoeding tijdelijke voorzieningen in gebouwen of terreinen WVO, zoals luidend op 31 juli 1992, voorzover die in het jaar 1997 tot een uitkering van het Rijk zou hebben geleid,
– een bedrag in verband met de kosten van de onroerende-zaakbelastingen, zijnde f 45,36 per in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerling in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995, en
– een bedrag in verband met de kosten van verzekeringen, dat voor een gemeente wordt verkregen door f 25 miljoen te verdelen over de gemeenten naar rato van het aantal in de gemeente schoolgaande en ingeschreven leerlingen in het voortgezet onderwijs volgens de integrale leerlingtelling van 1 oktober 1995.
2. Onze Ministers stellen de historische vergoeding per gemeente vast aan de hand van een opgave van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.