BWBR0008657
Geldig vanaf 2014-07-02
Artikel 3:27
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
1. Ten einde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken meldt de jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na de dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen dertien weken na de in artikel 3:2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde dag aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:7, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:8</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:10, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:18</a>of <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:30" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg</a>wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:7, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:8</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:10, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:18</a>of <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/3:30" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg</a>wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.