BWBR0008657
Geldig vanaf 2014-07-02
Artikel 2:39
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
1. De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt op aanvraag inkomensondersteuning met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend, doch niet voor de dag waarop recht op arbeidsondersteuning ontstaat.
2. In afwijking van het eerste lid ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning, bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, voldoet.
3. De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt inkomensondersteuning als bedoeld in het eerste lid, indien en zolang hij meewerkt aan het opstellen van het participatieplan.
4. Vervallen.
5. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 2</a>of <a href="/wet/BWBR0008903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3 van de Wet sociale werkvoorziening</a>of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet in staat is tot het verrichten van passende arbeid.
6. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die studerende is. In afwijking van artikel 1:4, eerste lid, is de eerste zin ook van toepassing op de jonggehandicapte die studiefinanciering in de vorm van het levenlanglerenkrediet ontvangt.
2. In afwijking van het eerste lid ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning, bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, voldoet.
3. De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt inkomensondersteuning als bedoeld in het eerste lid, indien en zolang hij meewerkt aan het opstellen van het participatieplan.
4. Vervallen.
5. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 2</a>of <a href="/wet/BWBR0008903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3 van de Wet sociale werkvoorziening</a>of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet in staat is tot het verrichten van passende arbeid.
6. De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die studerende is. In afwijking van artikel 1:4, eerste lid, is de eerste zin ook van toepassing op de jonggehandicapte die studiefinanciering in de vorm van het levenlanglerenkrediet ontvangt.