BWBR0008511
Geldig vanaf 1997-03-01
Artikel 6
Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering
1. Degene die loost ten behoeve van een bodemsanering bepaalt het gehalte aan een stof, genoemd in bijlage I, indien deze blijkens het overzicht, bedoeld in artikel 16, onderdeel h, voorkomt als verontreiniging.
2. De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, worden op de eerste, de derde, de achtste en de vijftiende dag na aanvang van het lozen uitgevoerd. Hierna worden de bepalingen uitgevoerd met een zodanige frequentie als nodig is om veranderingen in de gehalten tijdig te signaleren. Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan, indien de bepaling één maal per twee weken plaatsvindt.
3. Indien degene die loost op enig tijdstip overgaat op een andere frequentie van de bepalingen, meldt hij dit onverwijld aan het bevoegd gezag.
4. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de frequentie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.
2. De bepalingen, bedoeld in het eerste lid, worden op de eerste, de derde, de achtste en de vijftiende dag na aanvang van het lozen uitgevoerd. Hierna worden de bepalingen uitgevoerd met een zodanige frequentie als nodig is om veranderingen in de gehalten tijdig te signaleren. Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan, indien de bepaling één maal per twee weken plaatsvindt.
3. Indien degene die loost op enig tijdstip overgaat op een andere frequentie van de bepalingen, meldt hij dit onverwijld aan het bevoegd gezag.
4. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de frequentie, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.