BWBR0008511
Geldig vanaf 1997-03-01
Artikel 3
Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering
1. De voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld, zijn van toepassing op het lozen anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheerten behoeve van een
a. bodemsanering: 1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie jaar;
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 15 m3 per uur bedraagt of, zo lang grond wordt afgegraven waarbij het grondwaterpeil wordt verlaagd door middel van het oppompen van verontreinigd grondwater, ten hoogste 50 m3 per uur, en
4°. waarbij het gehalte aan een stof voorafgaand aan het lozen niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte, alsmede ten behoeve van een
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie jaar;
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 15 m3 per uur bedraagt of, zo lang grond wordt afgegraven waarbij het grondwaterpeil wordt verlaagd door middel van het oppompen van verontreinigd grondwater, ten hoogste 50 m3 per uur, en
4°. waarbij het gehalte aan een stof voorafgaand aan het lozen niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte, alsmede ten behoeve van een
b. proefbronnering: 1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie weken, en
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 50 m3 per uur bedraagt.
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie weken, en
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 50 m3 per uur bedraagt.
2. De locaties, bedoeld in het eerste lid, zijn de locaties waar blijkens de resultaten van het betreffende oriënterend of nader onderzoek dan wel saneringsonderzoek, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming:
a. de verontreiniging in de bodem uitsluitend is veroorzaakt door: 1°. chemische wasserijen;
2°. tankstations voor het wegverkeer;
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
1°. chemische wasserijen;
2°. tankstations voor het wegverkeer;
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
b. de verontreiniging in de bodem uitsluitend bestaat uit motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer of minerale olie.
3. Het gehalte aan een stof, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, wordt bepaald op basis van analyse van een steekmonster volgens het bij die stof in bijlage II vermelde voorschrift.
a. bodemsanering: 1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie jaar;
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 15 m3 per uur bedraagt of, zo lang grond wordt afgegraven waarbij het grondwaterpeil wordt verlaagd door middel van het oppompen van verontreinigd grondwater, ten hoogste 50 m3 per uur, en
4°. waarbij het gehalte aan een stof voorafgaand aan het lozen niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte, alsmede ten behoeve van een
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie jaar;
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 15 m3 per uur bedraagt of, zo lang grond wordt afgegraven waarbij het grondwaterpeil wordt verlaagd door middel van het oppompen van verontreinigd grondwater, ten hoogste 50 m3 per uur, en
4°. waarbij het gehalte aan een stof voorafgaand aan het lozen niet hoger is dan het in bijlage I bij de betrokken stof vermelde gehalte, alsmede ten behoeve van een
b. proefbronnering: 1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie weken, en
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 50 m3 per uur bedraagt.
1°. die plaatsvindt op een locatie als bedoeld in het tweede lid;
2°. waarbij het lozen plaatsvindt binnen een periode van ten hoogste drie weken, en
3°. waarbij het lozingsdebiet ten hoogste 50 m3 per uur bedraagt.
2. De locaties, bedoeld in het eerste lid, zijn de locaties waar blijkens de resultaten van het betreffende oriënterend of nader onderzoek dan wel saneringsonderzoek, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming:
a. de verontreiniging in de bodem uitsluitend is veroorzaakt door: 1°. chemische wasserijen;
2°. tankstations voor het wegverkeer;
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
1°. chemische wasserijen;
2°. tankstations voor het wegverkeer;
3°. be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen en autowrakken;
4°. herstelinrichtingen voor motorvoertuigen, of
5°. opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel
b. de verontreiniging in de bodem uitsluitend bestaat uit motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer of minerale olie.
3. Het gehalte aan een stof, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, wordt bepaald op basis van analyse van een steekmonster volgens het bij die stof in bijlage II vermelde voorschrift.