BWBR0008476
Geldig vanaf 1997-01-18
Artikel 3
Regeling maatregelen sector OenW
1. De hoogte en de duur van de maatregel bedragen bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie van de bijlage:
a. 5% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 56 kalenderdagen wordt overschreden;
b. 10% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met meer dan 56 kalenderdagen, doch niet meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden;
c. 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden.
2. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene daartoe naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan aanleiding geeft, bedraagt de hoogte van de maatregel, bedoeld in het eerste lid: 2%, 5%, 10% in plaats van respectievelijk 5%, 10%, 20%.
3. Voor de vaststelling van het aantal kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, blijven ten aanzien van de verplichting, opgenomen in:
a. De eerste categorie, ten 1, 2 en 4 tot en met 6 van de bijlage, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het uitvoeringsorgaan zijn gesloten;
b. De eerste categorie, ten 3, van de bijlage, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gesloten;
c. De eerste categorie van de bijlage, buiten toepassing dagen, waarop ingevolge deze regeling geen recht bestaat op een uitkering.
a. 5% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met niet meer dan 56 kalenderdagen wordt overschreden;
b. 10% over de te late termijn, indien het gestelde tijdstip met meer dan 56 kalenderdagen, doch niet meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden;
c. 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden.
2. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de betrokkene daartoe naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan aanleiding geeft, bedraagt de hoogte van de maatregel, bedoeld in het eerste lid: 2%, 5%, 10% in plaats van respectievelijk 5%, 10%, 20%.
3. Voor de vaststelling van het aantal kalenderdagen, bedoeld in het eerste lid, blijven ten aanzien van de verplichting, opgenomen in:
a. De eerste categorie, ten 1, 2 en 4 tot en met 6 van de bijlage, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het uitvoeringsorgaan zijn gesloten;
b. De eerste categorie, ten 3, van de bijlage, buiten toepassing dagen, niet zijnde zaterdagen of zondagen, waarop kantoren van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gesloten;
c. De eerste categorie van de bijlage, buiten toepassing dagen, waarop ingevolge deze regeling geen recht bestaat op een uitkering.