BWBR0008374
Geldig vanaf 1996-12-19
Artikel 7
Regeling vergunning tot vluchtuitvoering
1. De vergunningverlener kan de vergunning en de vergunningvoorwaar-den wijzigen:
a. op aanvraag van de vergunninghouder, met inachtneming van artikel 11; of
b. ambtshalve, indien: 1º de vergunning geheel of gedeeltelijk verleend blijkt te zijn op basis van onjuiste informatie;
2º redenen voor schorsing of intrekking, bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9, aanwezig zijn, maar algehele schorsing of intrekking naar het oordeel van de vergunningverlener niet noodzakelijk is.
1º de vergunning geheel of gedeeltelijk verleend blijkt te zijn op basis van onjuiste informatie;
2º redenen voor schorsing of intrekking, bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9, aanwezig zijn, maar algehele schorsing of intrekking naar het oordeel van de vergunningverlener niet noodzakelijk is.
2. Artikel 3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op wijziging van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder.
3. Van ambtshalve wijziging wordt bij aangetekende brief mededeling gedaan aan de vergunninghouder.
a. op aanvraag van de vergunninghouder, met inachtneming van artikel 11; of
b. ambtshalve, indien: 1º de vergunning geheel of gedeeltelijk verleend blijkt te zijn op basis van onjuiste informatie;
2º redenen voor schorsing of intrekking, bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9, aanwezig zijn, maar algehele schorsing of intrekking naar het oordeel van de vergunningverlener niet noodzakelijk is.
1º de vergunning geheel of gedeeltelijk verleend blijkt te zijn op basis van onjuiste informatie;
2º redenen voor schorsing of intrekking, bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9, aanwezig zijn, maar algehele schorsing of intrekking naar het oordeel van de vergunningverlener niet noodzakelijk is.
2. Artikel 3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op wijziging van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder.
3. Van ambtshalve wijziging wordt bij aangetekende brief mededeling gedaan aan de vergunninghouder.