BWBR0008366
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 3
Wet pleziervaartuigen
1. Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en voortstuwingsmotoren worden slechts in de handel gebracht of als zodanig in bedrijf gesteld, indien zij bij gebruik volgens hun bestemming geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van personen, goederen of het milieu wanneer zij op correcte wijze zijn gebouwd en worden onderhouden, en zij in voorkomend geval zijn voorzien van de in artikel 7voorgeschreven CE-markering van overeenstemming, overeenkomstig bijlage IV van de richtlijn.
2. Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en voortstuwingsmotoren voldoen aan de in bijlage I van de richtlijn opgenomen essentiële eisen
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. pleziervaartuigen die gedeeltelijk zijn afgebouwd;
b. ingrijpend gewijzigde voortstuwingsmotoren, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de richtlijn;
c. ingrijpend verbouwde vaartuigen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn.
4. Onderdelen voldoen, onverminderd het eerste lid, tevens aan artikel 4, derde lid, van de richtlijn, voorzover daarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor het in de handel brengen of als zodanig in gebruik stellen van die onderdelen.
2. Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en voortstuwingsmotoren voldoen aan de in bijlage I van de richtlijn opgenomen essentiële eisen
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. pleziervaartuigen die gedeeltelijk zijn afgebouwd;
b. ingrijpend gewijzigde voortstuwingsmotoren, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de richtlijn;
c. ingrijpend verbouwde vaartuigen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van de richtlijn.
4. Onderdelen voldoen, onverminderd het eerste lid, tevens aan artikel 4, derde lid, van de richtlijn, voorzover daarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor het in de handel brengen of als zodanig in gebruik stellen van die onderdelen.